wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Basis Klas 1 Blok 3 gr/sp/ot

Total questions: 40

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

De persoonsvorm in de volgende zin is:


We hebben vandaag geen Engels gehad.

a)

gehad

b)

Engels

c)

hebben

d)

geen

2.

De persoonsvorm in de volgende zin is:


Mag ik jouw blauwe stift lenen?

a)

lenen

b)

mag

c)

stift

d)

jouw

3.

De persoonsvorm in de volgende zin is:


Jij zou toch naar mij toe komen?

a)

toch

b)

jij

c)

komen

d)

zou

4.

Ik kan het me niet voorstellen.

a)

kan

b)

ik

c)

voorstellen

d)

niet

5.

De persoonsvorm in de volgende zin is:


De fiets is gisteren bij de winkel gestolen.

a)

fiets

b)

winkel

c)

gestolen

d)

is

6.

Het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin is:


Je zult mij toch echt moeten helpen.

a)

zult

b)

zult helpen

c)

moet helpen

d)

zult moeten helpen

7.

Het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin is:


Had jij mijn e-mail nog ontvangen?

a)

ontvangen

b)

e-mail ontvangen

c)

had ontvangen

d)

had e-mail ontvangen

8.

Het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin is:


De tamme parkiet wil het liefst vrij kunnen vliegen.

a)

wil vliegen

b)

wil kunnen vliegen

c)

parkiet wil vliegen

d)

parkiet wil kunnen vliegen

9.

Het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin is:


Onze voorouders hebben veel op de mammoet gejaagd.

a)

voorouders gejaagd

b)

mammoet gejaagd

c)

hebben veel gejaagd

d)

hebben gejaagd

10.

Het werkwoordelijk gezegde in de volgende zin is:


Sneeuw en ijs bedekten deze dieren.

a)

bedekten

b)

bedekten dieren

c)

ijs bedekten

d)

sneeuw bedekten dieren

11.

Kies de juiste spelling.

a)

boomstamen

b)

boomstaamen

c)

bomstammen

d)

boomstammen

12.

Kies de juiste spelling.

a)

zaaterdag

b)

zaterdag

c)

zaatterdag

d)

zatterdag

13.

Kies de juiste spelling.

a)

portretten

b)

portreeten

c)

portreten

d)

portrette

14.

Kies de juiste spelling.

a)

aadressen

b)

adresen

c)

aadresen

d)

adressen

15.

Kies de juiste spelling.

a)

tooneelopleiding

b)

toonelopleiding

c)

tooneelopleiding

d)

toneelopleiding

16.

Kies de juiste spelling.

a)

bijvorbeeld

b)

beivoorbeeld

c)

bijvoorbeeld

d)

beivorbeeld

17.

Kies de juiste spelling.

a)

liter

b)

lieter

18.

Kies de juiste spelling.

a)

gietaar

b)

gitaar

19.

Kies de juiste spelling.

a)

politie

b)

politi

20.

Kies de juiste spelling.

a)

oliefant

b)

olifant

21.

Kies de juiste spelling van het werkwoord.


De kat van de buren (janken) elke nacht.

a)

jank

b)

jankt

c)

janken

22.

Kies de juiste spelling van het werkwoord.


(Dromen) jij vaak over een zonnig strand?

a)

Droomt

b)

Dromen

c)

Droom

23.

Kies de juiste spelling van het werkwoord.


Hij (branden) zijn vingers aan de kaars.

a)

brand

b)

brandt

c)

brant

d)

branden

24.

Kies de juiste spelling van het werkwoord.


Jullie (kletsen) de hele pauze.

a)

klets

b)

kletst

c)

kletsen

25.

Kies de juiste spelling van het werkwoord.


(Vinden) jij dat een goed idee?

a)

vind

b)

vint

c)

vindt

d)

vinden

26.

Wat is de betekenis van het onderstreepte woord?


Bij een toets moet je aandachtig lezen.

a)

als het nodig is

b)

ondertussen

c)

met veel aandacht

d)

zonder eromheen te draaien

27.

Wat is de betekenis van het onderstreepte woord?


Zeg maar gewoon ronduit wat je van dit plan vindt.

a)

als het nodig is

b)

zonder eromheen te draaien

c)

op het laatst

d)

ondertussen

28.

Wat is de betekenis van het onderstreepte woord?


Goed lezen is belangrijk, aangezien je dan minder fouten maakt.

a)

als het nodig is

b)

op het laatst

c)

omdat

d)

kort gezegd

29.

Vul het goede woord in.


........ mijn zere enkel heb ik deze week wel twee keer getraind.

a)

regelmatig

b)

ondanks

c)

niets liever dan

d)

afgerond

30.

Vul het goede woord in.


Mijn vriendin heeft ook ...... en danst meestal met mij mee.

a)

producten

b)

de jaren zestig

c)

actief

d)

de smaak te pakken

31.

Zoek de betekenis van het onderstreepte woord.


'Straks val je uit die boom', zegt de pessimist.

a)

iemand die alles van de zonnige kant bekijkt

b)

handig en vlug

c)

iemand die alles zwaar inziet

d)

heel slecht

32.

Zoek de betekenis van het onderstreepte woord.


Lara is absent, maar gelukkig is Sophia er wel.

a)

afwezig

b)

handig en vlug

c)

niet zo makkelijk met bewegen

d)

heel slecht

33.

Wat is de tegenstelling?


Eb en .....

a)

donker

b)

minder

c)

vloed

d)

flauw

34.


Wat is de tegenstelling?


Een flauwe bocht, een .... bocht.

a)

grote

b)

langzame

c)

lichte

d)

scherpe

35.


Vul het goede woord in.


oud - ouder -

a)

oudere

b)

outst

c)

oudst

d)

oudste

36.


Vul het goede woord in.


ver - ........ - verst

a)

verre

b)

verder

c)

verdere

d)

vere

37.

Bij welk woord in het woordenboek zoek je:


parapluutjes

a)

parapluutje

b)

para

c)

paraplu

d)

parapluus

38.

Bij welk woord in het woordenboek zoek je:


opgegeten

a)

opeten

b)

opeet

c)

opgegeten

d)

gegeten

39.

Bij welk woord in het woordenboek zoek je:


apparaatje

a)

ap

b)

apparaat

c)

aparaat

d)

apart

40.

Bij welk woord in het woordenboek zoek je:


locomokipkachelfantjes

a)

locomokipkachelfant

b)

locokipmokacehlfant

c)

colokipfantkachel

d)

locomokipkachelfantje