wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leesvaardigheid

Total questions: 16

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noteer ik het onderwerp van een tekst ?

a)

In één woord of een woordgroep

b)

In één zin

c)

In meerdere zinnen

d)

Dat maakt niet uit, als het maar vertelt waar de tekst over gaat

2.

Wat is de hoofdgedachte van een tekst ?

a)

Waar de tekst over gaat

b)

Wat er over het onderwerp wordt gezegd

c)

De belangrijkste deelonderwerpen van een tekst

d)

De kernzin

3.

Hoe noteer ik de hoofdgedachte ?

a)

In één woord

b)

In één woord of woordgroep

c)

In één volledige zin

d)

In meerdere zinnen

4.

Waar kan een kernzin staan in de alinea?

a)

In de eerste, tweede of laatste zin

b)

In de eerste zin of de laatste zin

c)

In de eerste of tweede zin

d)

Elke zin kan de kernzin zijn

5.

Wat is een deelonderwerp ?

a)

Een aspect dat in de tekst wordt besproken

b)

Een titel

c)

Een tussenkopje

d)

Een samenvatting

6.

Welk signaalwoord toont GEEN chronologisch verband aan?

a)

Nadat

b)

Terwijl

c)

Intussen

d)

Ook

7.

Een chronologisch verband heeft altijd te maken met ?

a)

Tijd

b)

Oorzaken

c)

Gevolgen

d)

Opsommingen

8.

Welk signaalwoord toont een opsommend verband aan?

Meerdere antwoorden zijn goed

a)

Bovendien

b)

Verder

c)

Ook

d)

concluderend

9.

Welke signaalwoorden tonen een tegenstelling aan ?

Meerdere antwoorden zijn goed

a)

Toch

b)

Aan de andere kant

c)

Ten eerste

d)

Bijvoorbeeld

10.

Welk signaalwoord toont GEEN toelichtend verband aan?

a)

zoals

b)

denk aan

c)

bijvoorbeeld

d)

ook

11.

Waar staat de hoofdgedachte van een tekst vaak?

a)

In het slot

b)

In de inleiding

c)

In het middenstuk

12.

Welk verband toont het signaalwoord 'zoals' aan ?

a)

Chronologisch verband

b)

Tegenstellend verband

c)

Opsommend verband

d)

Toelichtend verband

13.

Wat is een goed signaalwoord om een conclusie mee te beginnen ?

a)

Dus

b)

omdat

c)

ook

d)

maar

14.

Wat is juist ?

a)

Een feit is te controleren, een mening niet

b)

Een mening is te controleren, een feit niet

c)

Feiten en meningen zijn allebei te controleren

d)

Feiten en meningen zijn allebei niet te controleren

15.

Feit of mening ?

'Meneer Esbeukman is de leukste leraar van Melanchthon;

a)

Feit

b)

Mening

16.

Feit of mening ?

'Meneer Esbeukman werkt al 4 jaar op Melanchthon Schiebroek'

a)

feit

b)

mening