NEW
Font size
WorksheetsVerwijswoorden
Total questions: 10
Worksheet time: 4mins
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je het zakje snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
Onze boot is gerepareerd. Morgen brengen we het / hem naar de haven.
het
hem
Kies het juiste verwijswoord.
De zonnebril van Els is kapot, want Johan heeft hem / ze per ongeluk laten vallen.
hem
ze
Kies het juiste verwijswoord.
Tim heeft de jas van Noortje meegenomen. Deze / Dit moet hij straks aan hem / haar teruggeven.
Deze, hem
Deze, haar
Dit, hem
Dit, haar
Kies het juiste verwijswoord.
De spelers moeten terugkomen op hun / zijn besluit om uit deze / dit team te stappen.
hun, deze
hun, dit
zijn, deze
zijn, dit
Kies het juiste verwijswoord.
De koffiekopjes staan nog op dit / deze tafeltje. Wil jij hem / ze even opruimen?
dit, hem
deze, hem
dit, ze
deze, ze
Kies het juiste verwijswoord.
Het paard die / dat op stal staat, is van mijn tante. Hij / Het heeft al aan veel wedstrijden meegedaan.
die, Hij
dat, Hij
die, Het
dat, Het
Kies het juiste verwijswoord.
Het meisje dat / die daar loopt, zit bij mij in de klas. Hij / Zij kan goed voetballen.
dat, Hij
die, Hij
dat, Zij
die, Zij
Vul het juiste verwijswoord in.
Waar heb je de zak snoep neergelegd, die / dat Dex gisteren heeft gekocht?
die
dat
Kies het juiste verwijswoord.
De meisjes dat / die daar lopen, zitten bij mij in de klas. Hun / Zij kunnen goed voetballen.
dat, Hun
die, Hun
dat, Zij
die, Zij
