wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie

Total questions: 15

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Jan doet een onderzoek naar bacteriën in mest. Hij vindt een ééncellig organisme met een celwand en een celkern. Kan dit organisme een bacterie zijn? Zo nee, waarom niet?

a)

Neen, want een bacterie heeft geen celkern en geen celwand

b)

Neen, alleen omdat een bacterie geen celkern heeft

c)

Neen, alleen omdat een bacterie geen celwand heeft

d)

Ja

2.

Alle organismen die in een bepaalde biotoop voorkomen, noemen we:

a)

Een kolonie

b)

Een levensgemeenschap

c)

Een ecosysteem

d)

Een populatie

3.

Een egel heeft ondanks zijn kleine leefgebied rekening te houden met allerlei biotische en abiotische factoren. Hieronder worden een aantal van deze factoren genoemd:

(1) de aanwezigheid van bacteriën

(2) licht

(3) neerslag

(4) een overstroming

(5) een prooidier

(6) een roofdier

(7) een soortgenoot

(8) de temperatuur

Welke van deze factoren zijn abiotische factoren?

a)

(4), (5), (6) en (7)

b)

(1), (2), (3) en (8)

c)

(2), (3), (4) en (8)

d)

(1), (5), (6) en (7)

4.

Bacteriën die leven van dood organisch materiaal zijn

a)

parasieten

b)

autotrofe bacteriën

c)

symbionten

d)

saprofyten

5.

Een bacterie bevat geen

a)

kernmembraan

b)

slijmlaag

c)

celwand

d)

zweepstaart

6.

Bacteriën spelen een belangrijke rol in de landbouw. Schadelijke bacteriën hierbij zijn de

a)

denitrificerende bacteriën

b)

nitraat bacteriën

c)

nitriet bacteriën

d)

stikstoffixerende bacteriën

7.

Het begrip autotroof past bij organismen die:

a)

van levende organismen leven, zoals mens en dier

b)

afvalstoffen omzetten in mineralen

c)

alleen van organische materialen kunnen leven

d)

in staat zijn om van anorganische verbindingen te leven

8.

In een bos leven allerlei verschillende soorten organismen. Hoe wordt de verzameling van al deze organismen genoemd?

a)

Een biotoop

b)

Een levensgemeenschap

c)

Een ecosysteem

d)

Een populatie

9.

Vlinderbloemigen zijn vaak in staat stikstofgas te fixeren en stikstofverbindingen op te bouwen. Daarom worden ze ingeploegd om de bodem stikstofrijker te maken en zo andere teelten te vergemakkelijken. Die techniek staat bekend als

a)

Het kringloopprincipe

b)

Begroening

c)

Kunstmest

d)

Groenbemesting

10.

Welke uitspraak is juist?

a)

Hoe zuurder de bodem, hoe lager de pH

b)

Hoe zuurder de bodem, hoe meer kalk

c)

Hoe zuurder de bodem, hoe minder water

d)

Hoe zuurder de bodem, hoe hoger de pH

11.

Volgende eencellige, eukaryote organismen worden meestal gevonden in zoetwater. Welke eigenschap hebben ze gemeen?

a)

Een celkern

b)

Pseudopodia

c)

Cilia

d)

Flagellen

12.

Tijdens een trip door het regenwoud ontdekte een wetenschapper een nieuw organisme dat leeft in de nabijheid van rottend hout. De wetenschapper stelde vast dat het organisme een vochtige huid had, geen beharing en een inwendig skelet had. Dit organisme behoort wellicht tot een nieuwe soort binnen de

a)

Reptielen

b)

Amfibieën

c)

Invertebraten

d)

Zoogdieren

13.

Welke van deze figuren kan geen virus zijn?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

14.

Dieren hangen af van bacteriën en schimmels omdat bacteriën en schimmels

a)

niet aan fotosynthese doen

b)

nutriënten recycleren uit dode organismen

c)

zonlicht gebruiken om suikers aan te maken

d)

een habitat voorzien voor de dieren

15.

Welke van onderstaande organismen, waarvan je een foto van de bloem(en) ziet, is het minst verwant met de andere?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4