Font size
Worksheets1M H7 Woordformules
Total questions: 21
Worksheet time: 1hrs 10mins
De kosten voor een bezoek aan een attractiepark kun je berekenen met de formule:
aantal attracties × 2,50 + 5 = kosten.
Hoeveel euro kost iedere attractie?
€2,50
€5,00
€7,50
Wat is het uurloon in de formule:
aantal gewerkte uren x 30 + 50 = bedrag
30 euro
50 euro
80 euro
Eline spaart volgens de formule
aantal maanden × 15 + 180 = bedrag in euro's.
Welke tabel hoort bij deze formule?
Tabel 1
Tabel 2
Allebei
Geen van beide
Eline spaart volgens de formule
aantal maanden × 15 + 180 = bedrag in euro's.
Hoeveel euro heeft Eline na 6 maanden sparen?
€180
€90
€270
€240
Welke formule hoort bij de grafiek?
Aantal uur + 40 x 10 = Bedrag in euro's
Aantal uur x 10 + 40 = Bedrag in euro's
Bedrag in euro's x 10 +40 = Aantal uur
Bedrag in euro's x 40 +10 = Aantal uur
Welke formule hoort bij de grafiek?
aantal uur x 2 + 10 = bedrag in euro's
aantal uur x 1 + 10 = bedrag in euro's
bedrag in euro's x 2 + 10 = aantal uur
bedrag in euro's x 1 + 10 = aantal uur
Bij bowlingbaan 'Strike' betaal je voor het huren van de baan en voor je drankjes.
De formule hierbij is
aantal drankjes × 2 + 20 = bedrag in euro's.
Welke van de 2 grafieken hoort bij de formule?
Grafiek A
Grafiek B
Allebei
Geen van beide
Jochem vult de vijver bij met een tuinslang.
De vijver vult zich volgens de formule:
aantal minuten × 4 + 60 = aantal liter.
In de vijver past 500 liter, hoelang duurt het tot de vijver vol zit
110 minuten
125 minuten
8 minuten
11 minuten
Jochem vult de vijver bij met een tuinslang.
De vijver vult zich volgens de formule:
aantal minuten × 4 + 60 = aantal liter.
Welke grafiek hoort bij de formule?
blauw
oranje
groen
rood
Simon heeft 9 uur gewerkt. Welke berekening moet je opschrijven?
aantal gewerkte uren x 30 + 50 = bedrag
9 x 30 + 50 = € 320,00
9 x 30 + 50 = 320
9 x 30 = 270 + 50 = € 320,00
9 x 30 + 50 = 9 x 80 = € 720,00
De kosten voor een bezoek aan een attractiepark kun je berekenen met de formule:
aantal attracties × 2,50 + 5 = kosten
Wat is de entreeprijs van het attractiepark?
€2,50
€5,00
€7,50
De kosten voor een bezoek aan een attractiepark kun je berekenen met de formule:
aantal attracties × 2,50 + 5 = kosten.
Marieke gaat in 6 attracties. Wat zijn haar kosten?
€45,00
€20,00
€32,50
De kosten voor een bezoek aan een attractiepark kun je berekenen met de formule:
aantal attracties × 2,50 + 5 = kosten.
De kosten van Melvin zijn €25,00. In hoeveel attracties is hij geweest?
8
10
4
In de figuren zie je een aantal tafels met rode en groene stoelen. Hoeveel stoelen in totaal zijn er nodig bij 5 tafels?
9
10
11
12
Welke formule hoort bij hierbij?
aantal stoelen x 2 + 1 =aantal tafels
aantal tafels x 3 = aantal stoelen
aantal tafels x 2 + 1 = aantal stoelen
aantal stoelen x 1 + aantal tafels x 2 = aantal stoelen
Rashid bezorgt pizza's. Hij krijgt per week een fietsvergoeding van €7,50 en per uur werken €3,50.
Welke formule hoort hierbij?
aantal uur werken x 11 = loon
aantal uur werken x 7,50 + 3,50 = loon
aantal uur werken x 3,50 + 7,50 = loon
loon x 3,50 = aantal uur werken +7,50
Mina bezorgt folders. Ze krijgt per week €5,50 fietsvergoeding en per folder € 0,15.
Welke formules kunnen hierbij horen?
aantal folders x 0,15 + 5,50 = loon
aantal folders x 5,65 = loon
0,15 x aantal folders +5,50 = loon
loon = aantal folders x 0,15 + 5,50
loon = 5,65 x aantal folders
Schrijf de formule op die hoort bij de regel:
Het aantal tafels keer 3 plus 2 is het aantal stoelen.
aantal tafels x 5 = aantal stoelen
aantal tafels x 3 + 2 = aantal stoelen
aantal tafels x 3 = aantal stoelen + 2
aantal stoelen = aantal tafels x 5
aantal maanden x 25 + 50 = spaargeld
Kay heeft 6 maanden gespaard. Welke berekening moet je opschrijven?
6 x 25 + 50 =250
6x 75 = € 450,00
6 x 25 = 200 + 50 = € 250,00
6 x 25 + 50 = € 250,00
aantal maanden x 25 + 50 = spaargeld
Kay wil een telefoon kopen van € 590,00.
Na hoeveel maanden heeft hij genoeg geld gespraad?
7 maanden
8 maanden
21 maanden
22 maanden
Welke grafiek hoort bij de tabel?
lengte in cm 0 3 6 9 12 15 aantal weken 0 1 2 3 4 5
figuur 1
figuur 2
figuur 3
