wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdstuk 3 | LJ2 | MAVO | Pincode 6 | PRS

Total questions: 20

Worksheet time: 2hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Welke onderdelen horen bij de arbeidsmarkt? (meerdere juiste antwoorden mogelijk)

a)

Bedrijven die op zoek zijn naar personeel

b)

Mensen die werken in loondienst

c)

Mensen die op zoek zijn naar een baan

d)

Gepensioneerden die een uitkering hebben

2.

Bij welke van de onderstaande voorbeelden van beroepen gaat het om geschoold werk? (meerdere juiste antwoorden mogelijk)

a)

Schoonmaker

b)

Timmerman

c)

Verpleegkundige

d)

Vakkenvuller

e)

Postbezorger

3.

Welke begrip hoort bij de volgende omschrijving: 'een beschikbare baan waarvoor nog iemand wordt gezocht'.

a)

Sollicitatie

b)

Vacature

c)

Werkgelegenheid

d)

Arbeidsmarkt

4.

Om welke redenen is er sprake van arbeidsverdeling in de meeste bedrijven? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Mensen gaan sneller werken omdat ze zich specialiseren in bepaalde taken

b)

Meer mensen willen de producten van deze bedrijven kopen

c)

In dezelfde tijd kan er meer geproduceerd worden

d)

Meer mensen willen bij dit bedrijf werken

e)

Medewerkers worden beter in het werk dat zij doen

5.

Wie van de volgende personen werkt fulltime? (meerdere juiste antwoorden mogelijk)

a)

Janne werkt 36 uur per week in de kapsalon.

b)

Martin is hovenier en heeft zij eigen bedrijf. Hij werkt van maandag t/m vrijdag en vaak ook nog op zaterdagmorgen.

c)

Jonna werkt om maandag en dinsdag 9 uur per dag bij de bank. Op donderdag en vrijdag werkt zij in de middag bij een verzekeraar.

d)

Joey werkt 32 uur per week in een restaurant.

e)

Harry werkt van maandag t/m zaterdag de ochtenden op de bakkerijafdeling van de supermarkt.

6.

Als je voor een baas gaat werken, dan ben jij zijn...

a)

Werkgever

b)

Werknemer

7.

Over welke onderwerpen kun je een afspraak maken in de arbeidsovereenkomst? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Proeftijd

b)

Salaris

c)

Aantal vakantiedagen

d)

De bedrijfsregels

e)

Aantal uren dat je werkt per week

8.

Wat is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd?

a)

Een vast contract

b)

Een tijdelijk contract

9.

Wat zijn voorbeelden van flexibel werken? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Een vaste baan

b)

Werken via een uitzendbureau

c)

Werken met een oproepcontract

d)

Een tijdelijke baan

10.

Hoe noem je een groep met gelijksoortige bedrijven?

a)

Een bedrijfskolom

b)

Een productieweg

c)

Een bedrijfstak

d)

Een bedrijfsgroep

11.

Waarvoor staat de afkorting cao?

a)

Collectieve arbeidsovereenkomst

b)

Collectieve arbeidsonderneming

c)

Centrale arbeidsovereenkomst

d)

Centrale arbeidsonderneming

12.

Wat zijn de voordelen van een cao ten opzichte van een individuele arbeidsovereenkomst? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

De meeste afspraken liggen voor iedereen in de bedrijfstak vast

b)

Werknemers kunnen nu meer onderhandelen over hun salaris

c)

Je hoeft een cao maar één keer te maken voor een grote groep mensen

d)

Je hebt minder kansen om promotie te maken op het werk

e)

Er is minder ongelijkheid, omdat voor iedereen dezelfde afspraken gelden

13.

Janneke heeft een bruto maandloon van €2.400,-. Daarnaast krijgt zij een reiskostenvergoeding van €100,- per maand. De loonbelasting is per maand €540,- en de sociale premies €280,-. Wat is het netto maandloon van Janneke?

a)

€1.480,-

b)

€1.580,-

c)

€1.680,-

d)

€3.120,-

e)

€3.320,-

14.

Wat is het minimum maandloon van iemand van 19 jaar die een halve baan heeft?

a)

€ 114,48

b)

€ 152,65

c)

€ 496,08

d)

€ 661,45

15.

Welke van onderstaande regels staan in de arbowet? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Het is verplicht om veiligheidskleding te dragen op het werk

b)

U heeft recht op een werkplek met voldoende frisse lucht

c)

U heeft recht om per 4,5 gewerkte uren minimaal 15 minuten pauze te krijgen

d)

U heeft recht op een bureau dat in hoogte verstelbaar is

e)

U heeft recht op minimaal 4 weken vakantie per jaar

16.

Wie van de volgende personen noemen we een werkloze? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Koosje (80) heeft een pensioenuitkering waarvan zij kan rondkomen.

b)

Mitch (41) werkt niet. Zijn vrouw verdient genoeg en hij zorgt voor het huishouden.

c)

Jada (15) heeft door haar hobby's en schoolwerk nog geen tijd voor een bijbaantje.

d)

Joel is zijn baan verloren omdat het bedrijf waar hij werkte failliet ging. Hij hoopt snel weer aan de slag te kunnen.

e)

Gerda is arbeidsongeschikt. Zij krijgt een uitkering waarvan zij kan rondkomen.

17.

Welke uitkering kun je krijgen als je jouw baan verliest?

a)

ZW

b)

WW

c)

WIA

d)

AOW

18.

Welk begrip hoort bij de volgende omschrijving? 'de tijd tussen het ontslag en de einddatum van de baan'.

a)

Proeftijd

b)

Ontslagtermijn

c)

Opzegtermijn

d)

Onbepaalde tijd

19.

Wat zijn taken van het UWV? (meerdere juiste antwoorden mogelijk).

a)

Het bepalen of jij recht hebt op een WW-uitkering

b)

Het zoeken van banen voor werklozen

c)

Het coachen van werklozen bij het vinden van een baan

d)

Het schrijven van sollicitatiebrieven voor werklozen

20.

STELLING: 'technologische ontwikkelingen kunnen ervoor zorgen dat er banen verdwijnen, maar kunnen er ook voor zorgen dat er nieuwe banen komen'.

a)

Juist

b)

Onjuist