wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

franconville étape 4 hv

Total questions: 31

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Toute la

a)

de hele

b)

jawel

c)

Een die

d)

Allemaal

2.

entendu

a)

stom

b)

gehoord

c)

niets

d)

Zeker

3.

surpris

a)

verliefd

b)

degelijk

c)

geloof

d)

verrast

4.

autre

a)

bellen

b)

zeggen

c)

drinken

d)

andere

5.

Het spel

a)

entre

b)

le temps

c)

le joueur

d)

le jeu

6.

de pers

a)

ne pas

b)

le seul

c)

la presse

d)

jeune

7.

la chèvre

a)

de tijger

b)

de geit

c)

de vrienden

d)

een hond

8.

Nous allons aider

a)

We gaan helpen

b)

We gaan antwoorden

c)

Zij gaan helpen

d)

Zij gaa natnwoorden

9.

Je vais aussi inviter mon père

a)

Hij gaat ook zijn vader uitnodigen

b)

Je gaat je oom uitnodigen

c)

Ik ga mijn moeder uitnodigen

d)

Ik ga mijn vader uitnodigen

10.

les amis

a)

de vriend

b)

de vriendin

c)

de vrienden

11.

difficile

a)

moeilijk

b)

makkelijk

c)

erg

d)

knap

12.

hard werken

a)

travailler

b)

travailler sérieusement

c)

travailler dur

13.

Dans six mois

a)

in drie maanden

b)

in acht maanden

c)

in een maand of drie

d)

in zes maanden

14.

Il est à la maison

a)

Hij is thuis

b)

Zij zijn thuis

c)

jullie zijn thuis

d)

Ik ben thuis

15.

rouge

a)

Wit

b)

Zwart

c)

Rood

d)

Groen

16.

Les animaux

a)

De dieren

b)

het dier

c)

Een dier

d)

Dieren

17.

Ils achètent plein de chose

a)

Ik koop van alles

b)

Zij heeft van alles gekocht

c)

Zij kopen van alles

d)

Jij koopt van alles

18.

La chose

a)

De versiering

b)

Het raam

c)

De leeuw

d)

Het ding

19.

Elle a porté

a)

Hij zal dragen

b)

Wij heeft gedraagt

c)

Zij heeft gedragen

d)

wij hebben gedragen

20.

De brief

a)

la texte

b)

la lettre

c)

l'invitation

d)

le mail

21.

Julie est tombée

a)

Julie is gevallen

b)

Julie gaat vallen

22.

Le meilleur

a)

sinds

b)

de beste

c)

lachen

d)

grappig

23.

complétement

a)

helemaal

b)

vriendschap

c)

rekenen op

24.

c'est fini entre nous deux

a)

het is voorbij

b)

het is afgelopen

c)

het is uit tussen on

d)

het gaat goed komen

25.

timide

a)

boos

b)

verlegen

c)

grappig

d)

dom

26.

Elle est tombée amoureuse

a)

Hij is verliefd geweest

b)

Zij is verliefd geworden

c)

Zij gaan eten

d)

Hij is verliefd geworden

27.

Je irriteert me

a)

Elle m'énerve

b)

Tu m'énerves

c)

Je m'énerve

28.

il n'est pas trés inteligent

a)

Hij is niet erg slim

b)

Hij is super slim

c)

Zij is erg slim

d)

Zij is helemaal niet zo slim

29.

c'est fini entre nous deux

a)

Het is uit tussen hun

b)

Het is uit tussen ons

30.

Compter sur

a)

Vertrouwen hebben in

b)

rekenen op

31.

Avoir peur

a)

bang zijn

b)

verliefd zijn

c)

honger hebben

d)

beantwoorden