wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

waarneming en Regeling KGT 3 tm 6

Total questions: 34

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Wimpers zorgen ervoor dat het zweet niet in je ogen loopt.
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Met dit deel van het oog kan je scherp zien.
a)
Iris
b)
Pupil
c)
Harde oogvlies
d)
Lens
3.
In deze laag van het oog liggen de meeste bloedvaten.
a)
Harde oogvlies
b)
Vaatvlies
c)
Netvlies
4.
Langs welke weg gaat het licht van het oog-zintuig?
a)
Hoornvlies-pupil-lens-glasachtige lichaam-netvlies
b)
Glasachtige lichaam-netvlies-pupil-lens-hoornvlies
c)
Hoornvlies-lens-netvlies
d)
Lens-pupil-hoornvlies-netvlies-glasachtige lichaam
5.
Met deze vlek kan je niets zien.
a)
Gele vlek
b)
Blinde vlek
c)
Lege vlek
d)
Zenuw vlek
6.
De pupil is eigenlijk een opening in plaats van een zwart gedeelte.
a)
Juist
b)
Onjuist
7.

Welk zintuig hoort bij het werkwoord "zien"?

a)

Het gezichtszintuig

b)

Het zienzintuig

c)

Het kijkzintuig

d)

Het oogzintuig

8.

Waar in het oog liggen de zintuigcellen?

a)

Op het harde oogvlies

b)

Op het vaatvlies

c)

Op het netvlies

d)

Op de iris

9.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
10.
Wat is de functie van de pupilreflex?
a)
Zorgt voor een omgekeerd beeld op het netvlies
b)
Ervoor zorgen dat er steeds een scherp beeld op het netvlies staat
c)
De hoeveelheid licht regelen die op het netvlies valt.
11.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 5? 
a)
voorste kamer
b)
netvlies
c)
glasachtig lichaam
12.
Wat wordt aangeduid met het cijfer 1? 
a)
lens
b)
hoornvlies
c)
harde oogrok
13.
De lens van een oog is bol. Kijkt dit oog nu naar een voorwerp ver weg of dichtbij?
a)
ver weg
b)
dichtbij
14.

Beschermen de ogen tegen te fel licht.

a)

oogleden en wimpers

b)

hoornvlies

c)

vaatvlies

d)

ooglens

15.

bevat veel bloedvaten die voedingsstoffen en zuurstof naar het oog brengen.

a)

het harde oogvlies

b)

hoornvlies

c)

netvlies

d)

vaatvlies

16.

Door deze opening komt het licht het oog verder binnen.

a)

door het harde oogvlies

b)

door de pupil

c)

door de ooglens

d)

door het glasachtig lichaam

17.

Geeft impulsen van het oog door naar de hersenen

a)

de blinde vlek

b)

de gele vlek

c)

de oogzenuw

d)

de ooglens

18.

Helpt het netvlies op zijn plaats te houden.

a)

het glasachtig lichaam

b)

het vaatvlies

c)

het harde oogvlies

d)

het hoornvlies

19.

De ogen blijven vochtig omdat dit orgaantje tranen (vocht) produceert:

a)

de traanbuis

b)

de traanklier

c)

het harde oogvlies

d)

het vaatvlies

20.

traanklieren produceren vocht, om je ogen vochtig te houden. Welk orgaantje voert dit vocht af richting de neus?

a)

de traanklier(en)

b)

de traanbuis / traanbuizen

c)

de oogleden

d)

de wimpers

21.

Waar bevindt zich het ruggenmerg?

a)

In de schedel

b)

In de wervelkolom

c)

In je bekken

d)

In je opperarmbeen

22.
Het zenuwstelsel bestaat uit:
a)
hersenen en zenuwen
b)
hersenen en ruggenmerg
c)
hersenen en perifere zenuwen
d)
hersenen, ruggenmerg en zenuwen
23.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
24.
Op de afbeelding zie je 
a)
de grijpreflex
b)
de terugtrekreflex
c)
de kniepeesreflex
d)
de pupilreflex
25.
Welk nummer geeft de eilandjes van Langerhans aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
26.
Welk hormoon wordt NIET gemaakt in deze klier?
a)
insuline
b)
glucagon
c)
adrenaline
27.
Welk nummer geeft de schildklier aan?
a)
1
b)
3
c)
4
d)
5
28.

Welke hormoonklier reguleert de concentratie van bloedsuikers

a)

De geslachtsklieren

b)

De alvleesklier

c)

De bijschildklieren

d)

De hypofysevoorkwab

29.

Dit hormoon zorgt ervoor dat je bloedsuiker stijgt.

a)

Insuline

b)

Glycogeen

c)

Glucagon

d)

Glucose

30.

Noem enkele processen waarop hormonen van invloed zijn

a)

stofwisseling, voortplanting

b)

stofwisseling, voortplanting, groei

c)

Stofwisseling, voortplanting, groei, ontwikkeling

d)

stofwisseling, voortplanting, groei, ontwikkeling, vertering

e)

alles

31.
Waar hebben mensen met diabetes last van?
a)
De eilandjes van Langerhals produceren te weinig  insuline 
b)
Deze mensen hebben last van dwerggroei
c)
Deze mensen hebben een struma
d)
Het bloed is bij deze mensen te dik, waardoor het niet goed kan stromen
32.

Als een kuiken uit het ei kruipt noemen we dit..................

a)

aangeleerd gedrag

b)

aangeboren gedrag

33.

Wat is het vlucht-of vechthormoon?

a)

insuline

b)

glucagon

c)

adrenaline

34.

Het vlucht of vechthormoon wordt gemaakt door......

a)

maag

b)

bijnieren

c)

gal

d)

nieren