WorksheetsWoordsoorten Nederlands m1
Total questions: 20
Worksheet time: 4mins
Welk woord kan GEEN bezittelijk voornaamwoord zijn?
ik
mijn
jouw
ons
Welk woord is een lidwoord?
hij
het
haar
huis
Welke woordsoort geeft een hoeveelheid aan?
bijvoeglijk naamwoord
bezittelijk voornaamwoord
hoofdtelwoord
rangtelwoord
Welk antwoord is een onbepaald rangtelwoord
veel
weinig
eerste
hoeveelste
Welk antwoord bevat GEEN zelfstandig naamwoord?
huis, ik, zwarte
huis, ik, telefoon
ik, zwarte, zwemmen
zwemmen, telefoon, zwarte
Hoeveel lidwoorden hebben we in het Nederlands?
geen
drie
dertien
meer dan 20
Welk van de antwoorden is een voorzetsel?
geen
erg
heel
aan
Welk van de antwoorden is een werkwoord?
zwem
zwembad
zwemmende
badeend
Geef het groene woord de juiste naam
Mijn moeder heeft de wedstrijd verloren.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
voorzetsel
Geef het groene woord de juiste naam.
Ik ken drie mensen die besmet zijn met het virus.
bepaald rangtelwoord
onbepaald rangtelwoord
bepaald hoofdtelwoord
onbepaald hoofdtelwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Onze school is tot 6 april gesloten.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Ik lus wel van die lekkere pannenkoeken.
voorzetsel
lidwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Onze ouders werken thuis.
zelfstandig naamwoord
zelfstandig werkwoord
persoonlijk voornaamwoord
bezittelijk voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Selien en Joep zitten samen in klas m12.
zelfstandig naamwoord
zelfstandig werkwoord
bezittelijk voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Zulke schoenen vind ik erg mooi.
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
aanwijzend voornaamwoord
persoonlijk voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Alle kinderen hebben nu huiswerk.
bepaald rangtwelwoord
onbepaald rangtelwoord
bepaald hoofdtelwoord
onbepaald hoofdtelwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Die auto is blauw.
bezittelijk voornaamwoord
bijvoeglijk voornaamwoord
voorzetsel
zelfstandig naamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Tijdens de pauze eten we een lekker broodje.
lidwoord
voorzetsel
aanwijzend voornaamwoord
telwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Het meisje heeft een roze ijsje.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
aanwijzend voornaamwoord
Geef het groene woord de juiste naam.
Ik mag één snoepje pakken.
lidwoord
bep. hoofdtelwoord
bep. rangtelwoord
