wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OI Loepen

Total questions: 34

Worksheet time: 3hrs 40mins

Name
Class
Date
1.

Wat kun je doen om iets groter te zien als je geen hulpmiddel (zoals een loep) bij je hebt?

a)

Voorwerp verder van je vandaan houden

b)

Voorwerp dichterbij het oog brengen

c)

Voorwerp op z'n kop houden

d)

Je kan het beeld niet groter krijgen, dus je kan niets doen

2.

Een voorwerp van 2 cm lang bevindt zich 40 cm voor het oog. Hoe groot is de gezichtshoek in graden?

a)

0,05°

b)

2,86°

c)

d)

87,14°

3.

Een voorwerp van 2 cm lang bevindt zich 40 cm voor het oog. Hoe groot is de gezichtshoek in prismadioptrie?

a)

0,05∆

b)

2,86∆

c)

5∆

d)

87,14∆

4.

Een voorwerp van 2 cm lang bevindt zich 40 cm voor het oog. Hoe groot is het beeld op het netvlies?

a)

0,83 mm

b)

0,47 mm

c)

1,67 mm

d)

0,3 mm

5.

Je houdt een voorwerp eerst op 40 cm afstand en daarna op 20 cm afstand. Hoe groot is de angulaire vergroting?

a)

0,5x

b)

1x

c)

2x

d)

8x

6.

Welke situatie is een loep en waarom?

a)

Situatie 1, want er ontstaat een evenwijdige beeldbundel

b)

Situatie 1, want er ontstaat een evenwijdige voorwerpsbundel

c)

Situatie 2, want er ontstaat een evenwijdige beeldbundel

d)

Situatie 2, want er ontstaat een evenwijdige voorwerpsbundel

7.

Wat kun je zeggen over deze situatie?

a)

Netvliesbeeld vergroot, maar klant moet wel accommoderen

b)

Netvliesbeeld vergroot, maar is helaas op z'n kop.

c)

Netvliesbeeld vergroot, maar klant moet wel divergeren

d)

Netvliesbeeld vergroot en de klant hoeft niet te accommoderen

8.

Een klant gebruikt een loep en wil niet accommoderen. Waar moet het voorwerp staan?

a)

Tussen de loep en het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

b)

In het 2e hoofdbrandpunt van de loep.

c)

In het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

d)

Tussen de loep en het 2e hoofdbrandpunt van de loep.

e)

Voor het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

9.

Een klant gebruikt een loep en moet accommoderen. Waar bevindt zich het voorwerp?

a)

Tussen de loep en het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

b)

In het 2e hoofdbrandpunt van de loep.

c)

In het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

d)

Tussen de loep en het 2e hoofdbrandpunt van de loep.

e)

Voor het 1e hoofdbrandpunt van de loep.

10.

Hoe groot is de normaalvergroting van een loep met een sterkte van + 45 dpt.

a)

8,89x

b)

11,25x

c)

18x

d)

1x

11.

Op het handvat van een loep staat 6,5x. Welke sterkte heeft de loep?

a)

1,63 dpt

b)

19,5x

c)

26 dpt

d)

16,25x

12.

 No=F4No=\frac{F}{4}     Waar komt de 4 vandaan in deze formule?

a)

Gebruiksafstand van 25 cm

b)

Gebruiksafstand van 40 cm

c)

Werkafstand van 25 cm

d)

Werkafstand van 40 cm

13.

Wat is de leesgewoonte?

a)

De afstand tussen het hoornvlies en het voorwerp.

b)

De h.a. (afstand tussen het oog en het optische instrument (loep))

c)

De afstand tussen K en het netvlies.

14.

Wat is de werkafstand?

a)

De afstand tussen het hoornvlies en het voorwerp.

b)

De h.a. (afstand tussen het oog en het optische instrument (loep))

c)

De afstand tussen K en het netvlies.

15.

Wat is de gebruiksafstand?

a)

De afstand tussen het hoornvlies en het voorwerp.

b)

De h.a. (afstand tussen het oog en het optische instrument (loep))

c)

De afstand tussen K en het netvlies.

16.

Jabob gebruikt een loep waar een No op staat van 6x. Maar Jabob hield zijn voorwerp (zonder loep) altijd 33,3333 cm voor het oog. Welke netvliesbeeldvergroting zal Jacob ervaren?

a)

4x

b)

6x

c)

8x

d)

24x

e)

3,6x

17.

Jabob gebruikt een loep waar een No op staat van 6x. Maar Jabob hield zijn voorwerp (zonder loep) altijd 25 cm voor het oog. Welke netvliesbeeldvergroting zal Jacob ervaren?

a)

4x

b)

6x

c)

8x

d)

24x

e)

3,6x

18.

Jabob gebruikt een loep waar een No op staat van 6x. Maar Jabob hield zijn voorwerp (zonder loep) altijd 15 cm voor het oog. Welke netvliesbeeldvergroting zal Jacob ervaren?

a)

4x

b)

6x

c)

8x

d)

24x

e)

3,6x

19.

De grootte van het gezichtsveld van een loep wordt bepaald door (meerdere antwoorden kunnen goed zijn)

a)

De h.a.

b)

De grootte van het leeswerk

c)

Diameter van de loep

20.

Je kijkt door een loep en je ziet dit. Hoe noem je dit?

a)

Beeldgezichtsveld

b)

Gezichtsveld

21.

De klant ziet aan de zijkant kleurtjes. Welke lensfout is dit?

a)

Sferische aberratie

b)

chromatische aberratie

22.

Een loep heeft een sterkte van + 25 dpt en een diameter van 3 cm. De gebruiksafstand is 20 mm. Hoe groot is de diameter van het gezichtsveld?

a)

6 mm

b)

6 cm

c)

37,5 mm

d)

3,75 cm

23.

De werkafstand is 25 cm. Het voorwerp staat in het 1e hoofdbrandpunt van de loep. Welke formule gebruik je?

a)

No=F4No=\frac{F}{4}

b)

Nn=F2,5Nn=\frac{F}{2,5}

c)

Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}\left(1-hF\right)

d)

Nn=F2,5+P2,5(1hF)Nn=\frac{F}{2,5}+\frac{P}{2,5}\left(1-hF\right)

24.

De werkafstand is 40 cm. Het voorwerp staat in het 1e hoofdbrandpunt van de loep.  Welke formule gebruik je?

a)

No=F4No=\frac{F}{4}

b)

Nn=F2,5Nn=\frac{F}{2,5}

c)

Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}\left(1-hF\right)

d)

Nn=F2,5+P2,5(1hF)Nn=\frac{F}{2,5}+\frac{P}{2,5}\left(1-hF\right)

25.

De werkafstand is 40 cm. G.v.a. is - 6 dpt. Maximale accommodatie is 4 dpt. Welke formule gebruik je?

a)

No=F4No=\frac{F}{4}

b)

Nn=F2,5Nn=\frac{F}{2,5}

c)

Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}\left(1-hF\right)

d)

Nn=F2,5+P2,5(1hF)Nn=\frac{F}{2,5}+\frac{P}{2,5}\left(1-hF\right)

26.

De werkafstand is 25 cm. G.v.a. is - 6 dpt. Maximale accommodatie is 4 dpt. Welke formule gebruik je?

a)

No=F4No=\frac{F}{4}

b)

Nn=F2,5Nn=\frac{F}{2,5}

c)

Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}\left(1-hF\right)

d)

Nn=F2,5+P2,5(1hF)Nn=\frac{F}{2,5}+\frac{P}{2,5}\left(1-hF\right)

27.

g.v.a. = + 3 dpt.
Max accommodatie is 2 dpt.
Klant gebruikt zijn verte bril en accommodeert maximaal. Welke waarde heeft P in de formule  Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}(1-hF)  

a)

+3

b)

-3

c)

+2

d)

-2

e)

+5

28.

g.v.a. = + 6 dpt.
Max accommodatie is 2 dpt.
Klant gebruikt geen verte bril en accommodeert maximaal. Welke waarde heeft P in de formule  Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}(1-hF)  

a)

+6

b)

-6

c)

+8

d)

-8

e)

+2

29.

g.v.a. = -4 dpt.
Max accommodatie is 3 dpt.
Klant gebruikt geen verte bril en accommodeert maximaal. Welke waarde heeft P in de formule  Nn=F4+P4(1hF)Nn=\frac{F}{4}+\frac{P}{4}(1-hF)  

a)

-1

b)

-4

c)

+3

d)

+4

e)

-3

30.

Bij welke situatie krijg je de grootste vergroting bij een myoop (check eventueel vraag 40e)

a)

Met verte bril, zonder accommodatie

b)

Met verte bril, met accommodatie

c)

zonder verte bril, zonder accommodatie

d)

zonder verte bril, met accommodatie

31.

Bij welke situatie krijg je de grootste vergroting bij een hypermetroop (check eventueel vraag 42e)

a)

Met verte bril, zonder accommodatie

b)

Met verte bril, met accommodatie

c)

zonder verte bril, zonder accommodatie

d)

zonder verte bril, met accommodatie

32.

G.v.a. van + 6 dpt.

Maximale accommodatie is 3 dpt.

Joop gebruikt een loep van + 20 dpt op een h.a. van 13 mm. De leesgewoonte is 25 cm.

Hij gebruikt de loep zonder verte correctie en hij accommodeert. Hoe groot is de netvliesbeeldvergroting?

a)

6,67x

b)

3,34x

c)

5,37x

d)

5,56x

e)

6,11x

33.

G.v.a. van + 6 dpt.

Maximale accommodatie is 3 dpt.

Joop gebruikt een loep van + 20 dpt op een h.a. van 13 mm. De leesgewoonte is 33,33333 cm.

Hij gebruikt de loep zonder verte correctie en hij accommodeert. Hoe groot is de netvliesbeeldvergroting?

a)

6,67x

b)

3,34x

c)

8,89x

d)

8,33x

e)

8,15x

34.

Hoofdstuk 5 mag je zelf lezen en vragen bedenken

a)

Dat is goed, want deze quiz heeft al 34 vragen.

b)

Nee.... dat meen je niet!