Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

M&O test

Total questions: 40

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

De economische voorraad is:

a)

aanwezige voorraad

b)

voorraad waar men prijs risico over loopt

c)

voorraad waar men risico over loopt

d)

de voorraad uitgedrukt in euro's

2.

Gegeven:

Brutowinstopslag is 16% van de inkoopprijs. Op hoeveel procent wordt de verkoopprijs gesteld?

a)

100 %

b)

84 %

c)

116 %

3.

De BTW wordt uiteindelijk betaald door:

a)

de fiscus

b)

de bedrijven

c)

de consument

4.
Een bedrijf verwacht 2.000 producten á € 5 in te kopen en verwacht € 6.000 transportkosten. De VVP wordt dan
a)
€ 3
b)
€ 5
c)
€ 8
d)
€ 12
5.

Een eenmanszaak

a)

mag geen personeel in dienst hebben.

b)

kan nooit meer dan één winkel hebben.

c)

is hetzelfde als een zzp'er.

d)

heeft maar één eigenaar.

6.

Bij een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

d)

is het moeilijk om snel in te spelen op veranderingen in de markt.

7.
Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden
a)
dividendbelasting
b)
Inkomstenbelasting
c)
Vennootschapsbelasting
8.
De BV is een zelfstandig rechtspersoon
a)
Juist
b)
Onjuist
9.

Lees de volgende beweringen en geef het juiste antwoord.

Bewering 1: Bij de bv en nv zijn aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap.

Bewering 2: Bij de naamloze vennootschap zijn de aandeelhouders in principe niet bekend bij de vennootschap.

a)

Bewering 1 is waar, bewering 2 is niet waar.

b)

Bewering 1 is niet waar, bewering 2 is waar.

c)

Bewering 1 en 2 zijn allebei waar.

d)

Bewering 1 en 2 zijn allebei niet waar.

10.

Welke van onderstaande posten staan wel op een resultatenbegroting en niet op een liquiditeitsbegroting?

a)

aanschaf van een nieuwe telefooncentrale

b)

aflossing op een lening

c)

afschrijving op inventaris

d)

betaling van de verzekeringspremie

e)

een ontvangst van een vordering op een debiteur

11.

Een NV heeft 100.000 aandelen met een nominale waarde van € 20 per aandeel, uitgegeven voor € 35 per aandeel.

Welke invloed heeft dit op de agioreserve?

a)

De agioreserve blijft gelijk

b)

De agioreserve neemt af

c)

De agioreserve neemt toe

12.

Wat is het hoogste orgaan in een naamloze vennootschap?

a)

Algemene Vergadering van Aandeelhouders

b)

Ondernemingsraad

c)

Raad van Commissarissen

d)

Raad van Bestuur

13.

Statuten moeten altijd worden opgemaakt door een notaris

a)

Waar

b)

niet waar

14.

Het maatschappelijk aandelen vermogen is onderdeel van het eigen vermogen van de NV

a)

waar

b)

niet waar

15.

Een onderneming met een winst van € 500.000 keert 10% dividend uit. Het BRUTO dividend is € 50.000

a)

waar

b)

niet waar

16.

Als er te weinig liquide middelen zijn kan je de reserves gebruiken om schulden mee te betalen

a)

waar

b)

niet waar

17.

Een aandeelhouder heeft stem recht, een obligatiehouder niet

a)

waar

b)

niet waar

18.

afnemerskrediet: Hiervan is sprake als de goederen betaald worden vóór levering

a)

waar

b)

niet waar

19.

Bij huurkoop wordt je bij aanschaf direct eigenaar van het product

a)

waar

b)

niet waar

20.

Lening = € 100.000. De annuïteit bedraagt € 2.500 per jaar.

Na 1 jaar is de restschuld € 97.500

a)

waar

b)

niet waar

21.

afschrijvingskosten voor duurzame produktie middelen bereken je door:

(A - R): n

n= economische levensdaar van DPM

a)

waar

b)

niet waar

22.

Afschrijving komt op de liquiditeitenbegroting onder het koptje uitgaven

a)

waar

b)

niet waar

23.

omzet is de verkoopprijs inclusief BTW

a)

waar

b)

niet waar

24.

Break-even-afzet vindt je door de vergelijking TO=TK op te lossen

a)

waar

b)

niet waar

25.

Constante kosten zijn kosten die altijd het zelfde blijven

a)

waar

b)

niet waar

26.

De dekkingsbijdrage is gelijk aan de verkoopprijs minus variabele kosten per eenheid

a)

waar

b)

niet waar

27.

Nog te ontvangen bedragen en vooruit betaalde bedragen zijn vorderingen en staan debet op de balans

a)

waar

b)

niet waar

28.

Vooruit ontvangen bedragen zijn schulden

a)

waar

b)

niet waar

29.

In een jaarverslag van een vereniging is het overzicht "staat van baten en lasten" het overzicht van 'wat zou moeten worden betaald en ontvangen'

a)

waar

b)

niet waar

30.

Een vereniging mag geen winst maken

a)

waar

b)

niet waar

31.

effecten zijn financiële vaste activa

a)

waar

b)

niet waar

32.

Het orgaan met de hoogste macht binnen de NV is de directie

a)

waar

b)

niet waar

33.

Goodwill is een voorbeeld van financiële vaste activa

a)

waar

b)

niet waar

34.

Als de current ratio hoog is en de quick ratio is klein dan is de voorraad onverkoopbaar

a)

waar

b)

niet waar

35.

Als IVV < RTV dan zal REV > RTV

a)

waar

b)

niet waar

36.

winst zegt meer iets over het voortbestaan van een onderneming dan liquiditeit

a)

waar

b)

niet waar

37.

winst is de beloning voor ondernemersrisico

a)

waar

b)

niet waar

38.

bezettingsresultaat ontstaat op contstante kosten

a)

waar

b)

niet waar

39.

In theorie heffen prijs- en efficiency verschillen elkaar op

a)

waar

b)

niet waar

40.

ik wil een vervangende opdracht om een cijfer te behalen voor de PO

a)

ja

b)

nee