wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bodem en teelt - Module 4

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Welke bewerkingen horen tot de niet-kerende-grondbewerkingen?

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

ploegen

b)

spitten

c)

woelen

d)

cultivateren

2.

Wat zijn voordelen van spitten ten opzichte van ploegen

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

Er is minder last van versmering

b)

Er zijn vast rijpaden

c)

Er ontstaan geen voren

d)

Ook bij zeer natte omstandigheden mogelijk

3.

Geploegde grond is in het voorjaar sneller opgewarmd dan niet-geploegde grond.

a)

Juist

b)

Niet juist

4.

Om welke redenen zou ploegen of spitten kunnen worden ingezet?

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

stimuleren bodemleven

b)

openbreken storende lagen

c)

onderwerken gewasresten/groenbemesters/mest

d)

verkruimeling in winterperiode stimuleren

e)

tegengaan omzetting organische stof

5.

Hoe heet het rood omrande deel van de ploeg?

a)

rister

b)

mes

c)

zool

d)

couter

6.

Wat is een goed uitgangspunt voor ploegen?

a)

Zo diep als nodig en zo ondiep als mogelijk

b)

Zo diep als mogelijk en zo ondiep als nodig

c)

Zo diep als mogelijk en nodig

7.

Wat ontstaat er door wielslip bij het ploegen?

a)

versmering

b)

verdichting

c)

verstuiving

d)

erosie

e)

keileem

8.

Verdichting op grotere diepte kan met name ontstaan door ...

a)

ploegen

b)

bovenover ploegen

c)

spitten

d)

cultivateren

9.

Wat zijn nadelen van spitten ten opzichte van ploegen?

a)

onkruiden blijven in de toplaag

b)

ontstaan van voren

c)

het moet droger zijn om het uit te voeren

10.

Cultivateren is een kerende-grondbewerking

a)

Juist

b)

Niet juist

11.

NGK staat voor

a)

stikstof-fosfor-kalium

b)

niet-kerende-grondbewerking

c)

Nederlandse grond kwaliteit

d)

niet gekorreld kunstmest

12.

Wat vergroot de kans op bodemverdichting? (kies er drie)

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Werken onder te natte omstandigheden

b)

Werken met te hoge bandenspanning

c)

Werken met te hoge rijsnelheden

d)

Werken met een op diep wortelende gewas

e)

Werken op uitgedroogd bovenlaag

13.

Een verdichte grond is in het voorjaar ......

a)

eerder droog

b)

later droog

c)

eerder opgewarmd

d)

later opgewarmd

14.

1 cm meer insporing resulteert in circa ...

a)

10% hoger brandstofverbruik

b)

1% hoger brandstofverbruik

c)

5% hoger brandstofverbruik

d)

geen hoger brandstofverbruik

15.

Op het plaatje staat een .....

a)

radiaalband

b)

diagonaalband

c)

omloopband

16.

Welke banden kun je het beste gebruiken als de grond vrij vochtig is en de draagkracht laag is?

a)

radiaalband met lage bandenspanning

b)

diagonaalband met lage bandenspanning

c)

radiaalband met hoge bandenspanning

d)

diagonaalband met hoge bandenspanning

17.

Wat is juist als de drainagebuizen water afvoeren?

a)

De grondwaterstand is op een gedraineerd perceel overal even hoog.

b)

De grondwaterstand is het hoogst tussen twee drainagebuizen.

c)

De grondwaterstand is het laagst tussen twee drainagebuizen.

18.

Welke uitspraak over drainage is juist?

a)

In zandgrond leg je drainagebuizen meestal dichter bij elkaar dan in kleigrond.

b)

Hoe dieper in de grond, hoe verder de buizen uit elkaar gelegd kunnen worden.

c)

Drainagebuizen moeten minstens 80 cm diep liggen en niet ondieper.

19.

Jaarlijks diepwoelen verbetert de bodemstructuur en de draagkracht op een perceel.

a)

Juist

b)

Niet juist

20.

Op een akker geven de rijen naast lege rijpaden een lagere opbrengst.

a)

Juist

b)

Niet juist

21.

Vanwege de klimaatverandering gaat men steeds dieper draineren.

a)

Juist

b)

Niet juist

22.

Door klimaatverandering komen er in Nederland .....

a)

meer extreem droge perioden en meer extreem natte perioden

b)

minder extreem droge perioden en meer extreem natte perioden

c)

meer extreem droge perioden en minder extreem natte perioden

d)

minder extreem droge perioden en minder extreem natte perioden

23.

Met C wordt aangegeven

a)

Beschikbaar water voor de plant

b)

Verwelkingspunt

c)

Veldcapaciteit van de grond

d)

Zuigspanning van de grond

24.

De lijn A is van een ......

a)

zandgrond

b)

lössgrond

c)

kleigrond

d)

veengrond

25.

Wat verbetert de beschikbaarheid van water voor de plant?

Kies er 3.

(meerdere antwoorden mogelijk)

a)

capillair water in de wortelzone

b)

diepere beworteling

c)

meer organische stof in de toplaag

d)

grote uitspoeling

e)

tonrondte van het perceel