wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalverzorging H1 (1F)

Total questions: 38

Worksheet time: 1hrs 16mins

Name
Class
Date
1.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

a)

akkerstraat

b)

donderdag

c)

italiaans

d)

kanaal

e)

leeuwarden

2.

Welke woorden schrijf je met een hoofdletter?

a)

maart

b)

nutella

c)

paasvakantie

d)

vanillevla

e)

westen

3.

Welke woorden moeten een kleine letter krijgen?

Amsterdam, 15 December 2015


Beste Medewerkers,


Gedurende de Kerstdagen is de Lidl gesloten. Iedereen heeft dus twee dagen verplicht Vrij.


Hoogachtend,


Gerard Bussemaker

a)

Amsterdam

b)

December

c)

Beste

d)

Medewerkers

4.

Welke woorden moeten een kleine letter krijgen?

Amsterdam, 15 December 2015


Beste Medewerkers,


Gedurende de Kerstdagen is de Lidl gesloten. Iedereen heeft dus twee dagen verplicht Vrij.


Hoogachtend,


Gerard Bussemaker

a)

Gedurende

b)

Kerstdagen

c)

Lidl

d)

Iedereen

e)

Vrij

5.

Wanneer moet je een komma schrijven?

a)

aan het eind van de zin

b)

in opsommingen

c)

na een naam aan het begin van de zin

d)

voor 'en'

e)

voor 'omdat'

6.

Hoe schrijf je de volgende zin goed? - denk aan de leestekens en hoofdletters!


ik wil franse kaas op mijn brood, maar nicole heeft liever kersenjam.

(a)  

7.

Hoe schrijf je de volgende zin goed? - denk aan de hoofdletters en leestekens.


's middags zijn er geen cursussen engels, want de taalcursussen worden alleen 's avonds gegeven.

(a)  

8.

Hoe schrijf je de volgende zin goed? - denk aan de hoofdletters en leestekens.


gaan patrick en jij deze zomer naar zuid-frankrijk of blijven jullie thuis?

(a)  

9.

Hoe schrijf je de volgende zin goed? - denk aan de hoofdletters en leestekens.


in december krijgt iedereen die bij Ikea werkt een kerstpakket.

(a)  

10.

Hoe schrijf je de volgende zin goed? - denk aan de hoofdletters en leestekens.


op vrijdag de 14e is het valentijnsdag.

(a)  

11.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Waar heb je de waterpas de spanningzoeker de boormachine en het doosje met schroeven opgeborgen

(a)  

12.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Ferdy’s opa zegt altijd Waar een wil is is een weg

(a)  

13.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Ida riep Alberto houd nou eens op met dat gezeur

(a)  

14.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Geweldig ze nodigen me uit voor een sollicitatiegesprek

(a)  

15.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Omdat er nog steeds veel studenten ziek zijn stellen we het bezoek aan de meubelfabriek een week uit

(a)  

16.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Neem jij vanmiddag brood melk kaas en fruit mee

(a)  

17.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


We kunnen vroeg naar huis want Bas heeft flink doorgewerkt

(a)  

18.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Pas op Daar komt een vrachtwagen aan

(a)  

19.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Denk jij dat we een strenge winter krijgen

(a)  

20.

Schrijf de zinnen over. Gebruik leestekens waar dat moet: punt, komma, uitroepteken, vraagteken, dubbele punt of aanhalingstekens.


Ik dacht dat het invullen van een stagedagboek veel werk zou zijn maar dat viel nogal mee

(a)  

21.

Van welke twee woorden hieronder is het zeker dat ze het-woorden zijn?

a)

balletje

b)

banketstaaf

c)

basis

d)

bedrijfsleider

e)

boekje

22.

Wat zijn de-woorden?

a)

aardappel

b)

belastingskantoor

c)

ijsje

d)

kapper

e)

meisje

23.

Wat zijn het-woorden?

a)

stage

b)

scooter

c)

tandpasta

d)

verpleeghuis

e)

winkelcentrum

24.

Welk woord hoort waar?


Van deze / dit medicijn krijgt mevrouw Yilmas altijd maagpijn.


Heb je dat / die boek over houtverbindingen al uit de mediatheek gehaald?

a)

deze + dat

b)

deze + dit

c)

dit + dat

d)

dit + dat

25.

Welk woord hoort waar?


Je moet deze / dit fruit niet in de koelkast bewaren.


Op dat / die schoenen kun je beter niet gaan hardlopen, want dat is erg slecht voor je knieën.

a)

deze + dat

b)

deze + die

c)

dit + dat

d)

dit + die

26.

Welk woord is juist?


Kijk, dat / die busje daar heeft geen kenteken.


Ik vind deze / dit broek jou het best staan.

a)

dat + deze

b)

dat + dit

c)

die + deze

d)

die + dit

27.

Welk woord is juist?


Wij vliegen straks met dat / die toestel naar Turkije.


Heb jij deze / dit tijdschrift al uit?

a)

dat + deze

b)

dat + dit

c)

die + deze

d)

die + dit

28.

Kies het juiste woord.


Ik denk dat me / mij / mijn fiets vannacht gestolen is.


Mevrouw Koster heeft mij / mijn gevraagd om komende zomer een paar weken vakantiewerk te doen in de fabriek.

a)

mij + mij

b)

me + mijn

c)

mijn + mij

d)

me + mij

29.

Kies het juiste woord.


Heb jij misschien me / mij / mijn jas ergens zien hangen?


Dat zwarte paard lijkt mij / mijn het leukst om op te rijden.

a)

me + mij

b)

me + mijn

c)

mijn + mij

d)

mijn + mijn

e)

mij + mij

30.

Kies het juiste woord.


Van me / mij / mijn mogen jullie morgenochtend wel een uurtje later komen.


Volgens me / mij / mijn zus hebben we twee weken meivakantie.

a)

me + me

b)

me + mijn

c)

mijn + me

d)

mij + mijn

e)

mij + me

31.

Kies het juiste woord.


Idiris, wil je jou / jouw jas even ophangen?


Van Nienke weet ik al dat ze wel wil helpen, maar aan je / jou / jouw heb ik het volgens mij nog niet gevraagd.

a)

jou + je

b)

jou + jou

c)

jou + jouw

d)

jouw + jou

e)

jouw + jouw

32.

Kies het juiste woord.


Heb ik jou / jouw soms iets gevraagd?


Het is echt niet jou / jouw schuld dat de taart mislukt is.

a)

jou + jou

b)

jou + jouw

c)

jouw + jou

d)

jouw + jouw

33.

Kies het juiste woord.


Ik geef jou / jouw groot gelijk dat je een vervolgopleiding gaat doen.


Mag ik van jou / jouw een foto maken?

a)

jou + jou

b)

jou + jouw

c)

jouw + jou

d)

jouw + jouw

34.

Kies het juiste woord.


Meneer van Dam, u / uw moet u / uw eten opeten, anders wordt het koud.

a)

u + u

b)

u + uw

c)

uw + u

d)

uw + uw

35.

Kies het juiste woord.


Dank u / uw wel voor u / uw hulp.

a)

u + u

b)

u + uw

c)

uw + u

d)

uw + uw

36.

Kies het juiste woord.


Mag ik u / uw allen om u / uw medewerking vragen?

a)

u + u

b)

u + uw

c)

uw + u

d)

uw + uw

37.

Kies het juiste woord.


Mevrouw Rijnders, u / uw sleutels liggen op het aanrecht.


U / Uw bent van harte welkom bij de feestelijke opening.

a)

u + u

b)

u + uw

c)

uw + u

d)

uw + uw

38.

Wanneer mag ik het woordje 'je' gebruiken?

a)

in plaats van 'jij'

b)

in plaats van 'jullie'

c)

in geen van beide gevallen

d)

in beide gevallen