wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

toets H4

Total questions: 30

Worksheet time: 3600secs

Name
Class
Date
1.

Kies de geleiders

a)

spijker

b)

potlood

c)

geodriehoek

d)

passer

e)

gum

2.

Kies de isolatoren

a)

spijker

b)

potlood

c)

geodriehoek

d)

passer

e)

gum

3.

Een lampje brandt alleen in een (a)   stroomkring.

4.

De eenheid van stroomsterkte is...

(a)  

5.

Welke stroomsterkte geeft de meter aan?

a)

0,033 A

b)

0,33 A

c)

3,3 A

d)

33 A

6.

reken om: 750 mA is (a)   A

7.

reken om: 0,005 A is (a)   mA

8.

hoeveel spanning zal deze oplaadbare accu afgeven?

a)

1,0 volt

b)

1,2 volt

c)

1,5 volt

d)

1,0 ampere

e)

1,2 ampere

9.

De batterijen in de schakeling leveren samen (a)   volt aan spanning. (1 batterij levert 1.2 V) (alleen de waarde invullen)

10.

Op het plaatje zie een symbool van....

a)

een lampje

b)

een stroommeter

c)

een spanningsmeter

d)

wisselspanning

11.

dit is een symbool voor een (a)  

12.

een parallelschakeling bevat altijd een....

a)

lampje

b)

schakelaar

c)

spanningsmeter

d)

vertakking

13.

In de afbeelding zie 3 lampjes in een schakeling. je mag er van uit gaan dat de batterij vol is.

Wat gebeurt er als lampje 1 wordt losgedraaid?

a)

alle lampjes gaan uit

b)

de lampjes 2 en 3 gaan uit lampje 1 blijft branden

c)

alle lampjes blijven branden

d)

de lampjes 2 en 3 blijven branden lampje 1 gaat uit

14.

De stroomsterkte wordt over lampje 1 gemeten dit blijkt 0,5 A te zijn. Alle lampjes zijn precies gelijk. Wat is de stroomsterkte in totaal? Noteer alleen de waarde, niet de eenheid.

(a)  

15.

Wat voor soort schakeling zie je?

a)

parallelschakeling

b)

serieschakeling

c)

gemengde schakeling

d)

wisselschakeling

16.

welk van genoemde apparaten heeft het hoogste vermogen?

a)

accu boormachine

b)

wasdroger

c)

mobiele telefoon

d)

laptop

e)

fietslampje

17.

wat is het vermogen van een lampje bij een spanning van 9 volt en een stroomsterkte van 0,5 ampère? Noteer alleen het getal. (niet de eenheid)

(a)  

18.

Met welke formule bereken je het vermogen?

a)

vermogen = stroomsterkte x spanning

b)

vermogen = stroomsterkte : spanning

c)

vermogen = spanning : stroomsterkte

d)

vermogen = spanning - stroomsterkte

e)

vermogen = spanning + stroomsterkte

19.

Een lampje heeft een vermogen van 15 watt bij een spanning van 10 volt. Bereken de stroom die door het lampje loopt. Geef je antwoord alleen in getallen.

(a)  

20.

Patrick heeft een smartphone. Kies de situaties waarin het vermogen van de telefoon toeneemt.

a)

Patrick wordt opgebeld.

b)

Patrick zet de bluetooth uit.

c)

Patrick gaat clash of clans spelen

d)

Patrick zet zijn muziek harder

e)

Patrick zet de telefoon in vliegtuigmodus

21.

In welke schakeling blijft er een lampje branden ook of de schakelaar nu open staat of niet. (je mag er van uit gaan dat de batterij vol is)

a)
b)
c)
d)
22.

Een batterij levert:

a)

elektrische energie.

b)

elektrische geleiding.

c)

elektrische isolatie.

d)

elektrische stroming.

23.

Hoe groot is de spanning van een stopcontact?

a)

6 volt

b)

110 volt

c)

220 volt

d)

230 volt

24.

Sahid zegt: ‘Bij een parallelschakeling kun je de lampjes apart aan- en uitdoen.’

Herm zegt: ‘Bij een serieschakeling kun je de lampjes apart aan- en uitdoen.’


Wie heeft gelijk?

a)

Geen van beiden heeft gelijk.

b)

Alleen Sahid heeft gelijk.

c)

Alleen Herm heeft gelijk.

d)

Sahid en Herm hebben allebei gelijk.

25.

Hieronder zie je vier schakelsymbolen.


Wat is het symbool voor een stopcontact?

a)
b)
c)
d)
26.

wat is waar over deze schakelingen?

a)

Het zijn allebei parallelschakelingen.

b)

Het zijn allebei serieschakelingen.

c)

Schakeling 1 is een parallelschakeling en schakeling 2 is een serieschakeling.

d)

Schakeling 1 is een serieschakeling en schakeling 2 is een parallelschakeling.

27.

Wat meet je met deze meter?

a)

0,37 ampère

b)

0,37 volt

c)

3,7 ampère

d)

3,7 volt

28.

Een lampje waarop staat 3 V / 6 W, brandt in een gesloten stroomkring erg fel en gaat na een minuut uit, omdat het lampje doorbrandt.


Wat kan er aan de hand zijn?

a)

De stroomsterkte in het lampje is te hoog.

b)

De stroomsterkte in het lampje is te laag.

c)

De lamp krijgt een te hoog vermogen.

d)

De lamp krijgt een te laag vermogen.

29.

Sommige deurbellen hebben drukschakelaars met een ingebouwd lampje dat altijd brandt. Daardoor is de drukschakelaar ook in het donker steeds gemakkelijk te vinden. Welk schakelschema hoort bij een deurbel met drukschakelaar en ingebouwd lampje?

a)
b)
c)
d)
30.

In het figuur zie je een schakeling met drie brandende lampjes.


Carlo draait lampje 1 los.


Wat gebeurt er met de andere twee lampjes?

a)

Lampje 2 en 3 gaan allebei uit.

b)

Lampje 2 gaat uit en lampje 3 blijft branden.

c)

Lampje 2 blijft branden en lampje 3 gaat uit.

d)

Lampje 2 en 3 blijven allebei branden.