wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2v Grammatica WS betrekkelijk voornaamwoord

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

Vul de zin met het juiste woord aan. Kies uit: dat, die, wat

Met het betrekkelijk voornaamwoord […] verwijs je naar de-woorden.

(a)  

2.

Benoem het onderstreepte woord.

Wij gaan dit weekend zeilen, wat ik erg leuk vind.

wat =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord.

Het raadsel wie zijn nieuwe vriendin is, is voorlopig nog niet opgelost.

wie =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord.

De opmerking dat ik mijn mond moet houden, vind ik erg ongepast.

dat =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord.

Wie kaatst, kan de bal verwachten, hè?

Wie =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord.

De vraag wat we met dit werk gaan verdienen, blijft hopelijk niet lang onbeantwoord.

wat =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

7.

Benoem het onderstreepte woord.

Mens-erger-je-niet is een tamelijk klassiek bordspel, dat iedereen wel kent.

dat =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

8.

Benoem het onderstreepte woord.

Wie als eerste speler zijn vier gekleurde pionnen op de eindvakjes heeft gezet, wint het spel.

Wie =

a)

betrekkelijk voornaamwoord

b)

betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent

c)

onderschikkend voegwoord

d)

vragend voornaamwoord

9.

Vul het juiste (verwijs)woord in.

Dat verwende jongetje schijnt alles te krijgen (...) hij maar wil hebben.

(a)  

10.

Vul het juiste (verwijs)woord in.

Van wie heb je die omafiets gekregen (...) jij altijd naar school rijdt?

(a)