Font size
Worksheets1iD Herhaling spelling en grammatica Nederlands
Total questions: 45
Worksheet time: 23mins
De namen van maanden schrijf je met een hoofdletter.
Juist
Onjuist
De namen van plaatsen, landen, rivieren en mensen schrijf je met een hoofdletter.
Juist
Onjuist
Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?
winter
Zomer
Herfst
Amsterdam
Duitse
Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?
Griekenland
grieks
Griekse
Griek
Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?
pasen
Noord-brabantse
Utrecht
Juni
Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?
Zaterdag
spanje
Spaans
pepernoten
Pv-tt betekent persoonsvorm tegenwoordige tijd.
waar
niet waar
Mijn vader is eerder naar huis gekomen.
Malou (vinden) het juiste antwoord op de vraag.
Waarom (vinden) jij Nederlands een leuk vak?
Vandaag (vinden) mijn opa vast een mooie munt.
Nu gaan we wat vragen over woordsoorten (lw, znw, bnw, ww, vz) doen. Hoe goed denk je dat je die kunt herkennen?
Helemaal niet goed
Redelijk, maar niet echt goed.
Goed
Heel goed
We lopen heel wat kilometers tijdens de Avondvierdaagse.
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
bijvoegelijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
Voorzetsel
Bedankt voor de fantastische voorstelling!
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Jouw hondje schrikt snel, toch?
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsel
Kerim heeft een flink aantal volgers op Twitter.
Het onderstreepte woord is een...
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Je zult het ermee moeten doen.
Het onderstreepte woord is een...
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
lidwoord
werkwoord
Heb je op je favoriete kandidaat gestemd?
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Thuis werken is okay, maar ik ben toch liever op school.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
lidwoord
De ouderwetse manier werkt nog steeds.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
lidwoord
zelfstandig naamwoord
De vijf beste kandidaten gaan door.
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
voorzetsel
Hoeveel kilometer hebben jullie gefietst?
Het onderstreepte woord is een...
zelfstandig naamwoord
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
Janine is een slimme meid.
Het onderstreepte woord is een...
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
lidwoord
Het is niet goed om te drinken tijdens het eten.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Zet de luidsprekers maar wat harder.
Het onderstreepte woord is een...
lidwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
bijvoeglijk naamwoord
De excursie naar de afvalcentrale was leuk en leerzaam.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
lidwoord
Karin heeft een roos aan haar vriend gegeven.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Ze heeft de roos in een vaas gezet.
Het onderstreepte woord is een...
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Lidwoord
Nu krijg je een paar vragen over ontleden (pv - onderwerp - gezegde). Hoe goed denk je dat je die vragen gaat maken?
Helemaal niet goed
Redelijk, maar niet heel goed
Goed
Heel goed
Het onderwerp en de pv horen bij elkaar. Als de ene meervoud is, is de ander ook meervoud.
Het onderwerp is de persoon/het ding dat doet wat er in de zin gebeurt. Hij loopt - hij = ond.
allebei waar
allebei niet waar
eerste waar, tweede niet waar
eerste niet waar, tweede waar
Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin.
Ook de pv hoort bij het gezegde.
beide waar
beide niet waar
eerste waar, tweede niet waar
eerste niet waar, tweede waar.
Morgen vertel ik jullie de afloop van het verhaal.
Wat is de persoonsvorm?
Morgen
vertel
afloop
de afloop van het verhaal
De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.
Wat is het onderwerp?
De atleet
gaf op
een klein dorpje
na twintig kilometer
Ik geef mijn oma een dikke zoen.
Wat is het onderwerp?
Ik
geef
mijn oma
een dikke zoen
Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.
Wat is de persoonsvorm?
Vandaag
in een lekker koel lokaal
we
vergaderen
Ik geef mijn oma een dikke zoen.
Wat is het gezegde?
Ik
geef
mijn oma
geef een dikke zoen
Ik geef mijn oma een dikke zoen.
Wat is het onderwerp?
Ik
geef
mijn oma
een dikke zoen
Wat is de persoonsvorm?
Gelukkig ruimde Tygo zijn spullen op tijd op.
Gelukkig
ruimde op
ruimde
Tygo
Wat is de persoonsvorm?
Over de vakantie hebben de buren ons veel verhalen verteld.
hebben
verteld
hebben verteld
de buren
Wat is de persoonsvorm?
Op het strand kunnen we lekker zonnen.
op het strand
zonnen
we
kunnen
Wat is het onderwerp?
Morgen komen de nieuwe bewoners kennismaken.
Morgen
komen
de nieuwe bewoners
kennismaken
Wat is het onderwerp?
De overtreding wordt door een scheidsrechter bestraft.
De overtreding
wordt
door een scheidsrechter
bestraft
Aan welke onderdelen moet je nog werken?
Woordsoorten (lw, znw, bnw, vz, ww)
Hoofdletters
Werkwoordspelling
Ontleden (pv, ow, gez)
Nergens meer aan, het ging top!
Wat vond je van deze opdracht?
Leerzaam
Nuttig
Te lang
Moeilijk
(Te) gemakkelijk.
