wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1iD Herhaling spelling en grammatica Nederlands

Total questions: 45

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

De namen van maanden schrijf je met een hoofdletter.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

De namen van plaatsen, landen, rivieren en mensen schrijf je met een hoofdletter.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?

a)

winter

b)

Zomer

c)

Herfst

d)

Amsterdam

e)

Duitse

4.

Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?

a)

Griekenland

b)

grieks

c)

Griekse

d)

Griek

5.

Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?

a)

pasen

b)

Noord-brabantse

c)

Utrecht

d)

Juni

6.

Welke woord/woorden is/zijn juist geschreven?

a)

Zaterdag

b)

spanje

c)

Spaans

d)

pepernoten

7.
De persoonsvorm vind je door de zin in een andere tijd te zetten.
a)
Juist
b)
Onjuist
8.

Pv-tt betekent persoonsvorm tegenwoordige tijd.

a)

waar

b)

niet waar

9.
De persoonsvorm tt van de volgende zin is:
Mijn vader is eerder naar huis gekomen.
a)
mijn
b)
is
c)
gekomen
10.
Vul het juist gespelde werkwoord (pv-tt) in: 
Malou (vinden) het juiste antwoord op de vraag.
a)
vind
b)
vindt
c)
vinden
11.
Vul het juist gespelde werkwoord (pv-tt) in: 
Waarom (vinden) jij Nederlands een leuk vak?
a)
vind
b)
vindt
c)
vinden
12.
Vul het juist gespelde werkwoord (pv-tt) in: 
Vandaag (vinden) mijn opa vast een mooie munt.
a)
vind
b)
vindt 
c)
vinden
13.

Nu gaan we wat vragen over woordsoorten (lw, znw, bnw, ww, vz) doen. Hoe goed denk je dat je die kunt herkennen?

a)

Helemaal niet goed

b)

Redelijk, maar niet echt goed.

c)

Goed

d)

Heel goed

14.

We lopen heel wat kilometers tijdens de Avondvierdaagse.


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

bijvoegelijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

e)

Voorzetsel

15.

Bedankt voor de fantastische voorstelling!


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

e)

voorzetsel

16.

Jouw hondje schrikt snel, toch?


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

e)

voorzetsel

17.

Kerim heeft een flink aantal volgers op Twitter.


Het onderstreepte woord is een...

a)

werkwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

zelfstandig naamwoord

e)

voorzetsel

18.

Je zult het ermee moeten doen.


Het onderstreepte woord is een...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

werkwoord

19.

Heb je op je favoriete kandidaat gestemd?


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

20.

Thuis werken is okay, maar ik ben toch liever op school.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

e)

lidwoord

21.

De ouderwetse manier werkt nog steeds.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

lidwoord

d)

zelfstandig naamwoord

22.

De vijf beste kandidaten gaan door.


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

e)

voorzetsel

23.

Hoeveel kilometer hebben jullie gefietst?


Het onderstreepte woord is een...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

24.

Janine is een slimme meid.


Het onderstreepte woord is een...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

lidwoord

25.

Het is niet goed om te drinken tijdens het eten.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

26.

Zet de luidsprekers maar wat harder.


Het onderstreepte woord is een...

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

27.

De excursie naar de afvalcentrale was leuk en leerzaam.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

lidwoord

28.

Karin heeft een roos aan haar vriend gegeven.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

29.

Ze heeft de roos in een vaas gezet.


Het onderstreepte woord is een...

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

voorzetsel

e)

Lidwoord

30.

Nu krijg je een paar vragen over ontleden (pv - onderwerp - gezegde). Hoe goed denk je dat je die vragen gaat maken?

a)

Helemaal niet goed

b)

Redelijk, maar niet heel goed

c)

Goed

d)

Heel goed

31.

Het onderwerp en de pv horen bij elkaar. Als de ene meervoud is, is de ander ook meervoud.


Het onderwerp is de persoon/het ding dat doet wat er in de zin gebeurt. Hij loopt - hij = ond.

a)

allebei waar

b)

allebei niet waar

c)

eerste waar, tweede niet waar

d)

eerste niet waar, tweede waar

32.

Het gezegde bestaat uit alle werkwoorden in de zin.


Ook de pv hoort bij het gezegde.

a)

beide waar

b)

beide niet waar

c)

eerste waar, tweede niet waar

d)

eerste niet waar, tweede waar.

33.

Morgen vertel ik jullie de afloop van het verhaal.

Wat is de persoonsvorm?

a)

Morgen

b)

vertel

c)

afloop

d)

de afloop van het verhaal

34.

De atleet gaf na twintig kilometer in een klein dorpje op.

Wat is het onderwerp?

a)

De atleet

b)

gaf op

c)

een klein dorpje

d)

na twintig kilometer

35.

Ik geef mijn oma een dikke zoen.

Wat is het onderwerp?

a)

Ik

b)

geef

c)

mijn oma

d)

een dikke zoen

36.

Vandaag vergaderen we in een lekker koel lokaal.

Wat is de persoonsvorm?

a)

Vandaag

b)

in een lekker koel lokaal

c)

we

d)

vergaderen

37.

Ik geef mijn oma een dikke zoen.

Wat is het gezegde?

a)

Ik

b)

geef

c)

mijn oma

d)

geef een dikke zoen

38.

Ik geef mijn oma een dikke zoen.

Wat is het onderwerp?

a)

Ik

b)

geef

c)

mijn oma

d)

een dikke zoen

39.

Wat is de persoonsvorm?

Gelukkig ruimde Tygo zijn spullen op tijd op.

a)

Gelukkig

b)

ruimde op

c)

ruimde

d)

Tygo

40.

Wat is de persoonsvorm?

Over de vakantie hebben de buren ons veel verhalen verteld.

a)

hebben

b)

verteld

c)

hebben verteld

d)

de buren

41.

Wat is de persoonsvorm?

Op het strand kunnen we lekker zonnen.

a)

op het strand

b)

zonnen

c)

we

d)

kunnen

42.

Wat is het onderwerp?

Morgen komen de nieuwe bewoners kennismaken.

a)

Morgen

b)

komen

c)

de nieuwe bewoners

d)

kennismaken

43.

Wat is het onderwerp?

De overtreding wordt door een scheidsrechter bestraft.

a)

De overtreding

b)

wordt

c)

door een scheidsrechter

d)

bestraft

44.

Aan welke onderdelen moet je nog werken?

a)

Woordsoorten (lw, znw, bnw, vz, ww)

b)

Hoofdletters

c)

Werkwoordspelling

d)

Ontleden (pv, ow, gez)

e)

Nergens meer aan, het ging top!

45.

Wat vond je van deze opdracht?

a)

Leerzaam

b)

Nuttig

c)

Te lang

d)

Moeilijk

e)

(Te) gemakkelijk.