wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

vocabulaire H5a en H5b - 4 havo

Total questions: 25

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Vertaal: l'adversaire

(a)  

2.

Vertaal: lorsque

(a)  

3.

Vertaal: se détendre

(a)  

4.

Vertaal: à l'époque

(a)  

5.

vertaal: le ballon

(a)  

6.

Vertaal: convivial

(a)  

7.

Vertaal: le sport de haut niveau

(a)  

8.

vertaal: la coupe mondiale

(a)  

9.

Vertaal: le carton rouge

(a)  

10.

Vertaal: la somme

(a)  

11.

vertaal: contribuer à

(a)  

12.

Vertaal: le tremblement

(a)  

13.

Vertaal: grimper

(a)  

14.

Vertaal: ralentir

(a)  

15.

Vertaal: la bonne cause

(a)  

16.

Vertaal: la pente

(a)  

17.

Vertaal: bien entendu

(a)  

18.

Vertaal: le bénévole

(a)  

19.

Vertaal: le tir à l'arc

(a)  

20.

Vertaal: empêcher

(a)  

21.

Vertaal: Pourquoi fais-tu du sport?

a)

wat voor sport doe jij?

b)

op welke sport zit jij?

c)

waarom sport jij?

d)

wanneer sport jij?

22.

Vertaal: Lui, il est contre dopage

a)

ik ben tegen doping

b)

hij is tegen doping

c)

Lui is tegen doping

d)

hij maakt een tegendoelpunt

23.

Vertaal: de snelheid tijdens de training vind ik leuk

a)

J'aime beaucoup la vitesse

b)

La vitesse de la compétition me plaît.

c)

J'adore m'entraîner vite.

d)

Ce qui me plaît pendant l'entraînement est la vitesse

24.

Vertaal: il est important de participer pour pouvoir marquer un but

a)

Je moet wel meedoen om te kunnen scoren

b)

Meedoen is belangrijk om een doelpunt te maken

c)

Het is belangrijk om mee te doen om een doelpunt te kunnen maken

d)

Meedoen is belangrijker dan scoren

25.

Vertaal: Mon coéquipier a marqué le but le plus important du match

a)

Mijn teamgenoot heeft het belangrijkste doelpunt van de wedstrijd gemaakt.

b)

Mijn teamgenoot maakte het belangrijkste doelpunt van de wedstrijd.

c)

Mijn teamgenoot maakte het winnende doelpunt.

d)

Mijn teamgenoot heeft het winnende doelpunt gemaakt.