wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HAVO 4 warmte en temperatuur

Total questions: 15

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Welk voorwerp voelde warmer aan, een boek of een metalen harddrive?

a)

het boek

b)

de metalen harddrive

2.

hadden het boek en de metalen harddrive dezelfde temperatuur?

a)

ja

b)

nee

c)

nee, het boek had een hogere temperatuur

d)

nee, het boek had een lagere temperatuur

3.

Welk ijsblokje smolt sneller, op een plaatje aluminium of op een plaatje van plastic?

a)

aluminium

b)

plastic

c)

beide even snel

4.

Waarom smolt het ijsblokje sneller op het plaatje aluminium? Welke drie antwoorden zijn juist?

a)

aluminium is een betere warmtegeleider dan plastic

b)

plastic is een slechtere warmtegeleider

c)

de warmte van het plastic wordt minder snel overgedragen

d)

de warmte van het aluminium wordt minder snel overgedragen

5.

als jij iets aanraakt dan voel je

a)

de temperatuur

b)

de snelheid waarmee de warmte je hand verlaat.

6.

Hoe harder de atomen trillen

a)

hoe hoger de temperatuur

b)

hoe warmer

c)

hoe hoger de warmte

d)

hoe harder de warmtemoleculen trillen

7.

Als moleculen sneller trillen, welke energievorm wordt dan groter?

a)

kinetische energie

b)

potentiële energie

c)

zwaarte-energie

d)

warmte

8.

Je ziet twee grafieken. Eéntje hoort bij de sleutel, de andere hoort bij het papiertje. Welke grafiek hoort bij de sleutel, grafiek A of grafiek B?

a)

Grafiek A

b)

Grafiek B

9.

Hoe groot is de soortelijke warmte van aluminium (Binas tabel 8)

a)

0,88

b)

0,88 x 103

c)

0,88 x 103 J/(kg・K)

d)

880

10.

Hoe groot is de soortelijke warmte van water (2 antwoorden mogelijk)?

a)

4,18・103 J/(kg・K)

b)

4,18

c)

4180 J/(kg・K)

d)

4180

11.

Je hebt twee even grote blokjes ijzer met een temperatuur van 10˚C. Je verwarmt blokje 1 tot 20˚C en blokje 2 tot 40˚C. Welke uitspraak is het meest juist?

a)

bij beide blokjes heb je evenveel warmte nodig.

b)

bij blokje 1 moet je meer warmte toevoeren dan bij blokje 2

c)

bij blokje 2 moet je meer warmte toevoeren dan bij blokje 1

d)

bij blokje 2 moet je 2 keer zoveel warmte toevoeren dan bij blokje 1

12.

een temperatuur van 0 K komt overeen met

a)

-273 ˚C

b)

273 ˚C

c)

0 ˚C

d)

-237 ˚C

13.

een temperatuur van 100 K komt overeen met

a)

373 ˚C

b)

-173 ˚C

c)

173 ˚C

14.

303 ˚C komt overeen met

a)

576 K

b)

30 K

c)

-30 K

15.

Een blok ijzer van 1,0 kg wordt verhit tot de temperatuur 1,0 ˚C hoger is. Hoeveel warmte moet er worden toegevoerd?

(a)