wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrijpend lezen

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

het is een dagdroom, zegt het meisje.

ik dagdroom van een hut.


het meisje droomt van een tent.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

2.

mijn vrienden zijn in de hut, zegt het meisje.

ik heb geen vrienden, zucht de prins.

jij denkt alleen aan jezelf, zegt het meisje.


de prins heeft veel vrienden.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

3.

mijn vrienden zijn in de hut, zegt het meisje.

ik heb geen vrienden, zucht de prins.

jij denkt alleen aan jezelf, zegt het meisje.


de prins denkt alleen aan zichzelf.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

4.

het is juist leuk dat het een droom is.

ik droom de gekste dingen bij mijn hut.

een houten roltrap.


ze droomt de gekste dingen bij haar hut.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

5.

het is juist leuk dat het een droom is.

ik droom de gekste dingen bij mijn hut.

een houten roltrap.


ze droomt van een lift bij haar hut.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

6.

renzo bedenkt iets. iets om in de tent te tonen.

hij heeft al wat geleerd. een koprol.

lang op één been staan. op zijn handen staan lukt ook al.

nu ja ... een beetje. hij laat het aan mama zien.

wat knap! zegt ze. maar nog niet goed genoeg.

toch geeft hij het niet op.

let op! denkt hij. op een dag ben ik beroemd!


renzo kent al een paar kunstjes.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

7.

renzo bedenkt iets. iets om in de tent te tonen.

hij heeft al wat geleerd. een koprol.

lang op één been staan. op zijn handen staan lukt ook al.

nu ja ... een beetje. hij laat het aan mama zien.

wat knap! zegt ze. maar nog niet goed genoeg.

toch geeft hij het niet op.

let op! denkt hij. op een dag ben ik beroemd!


renzo kan op één hand staan.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

8.

renzo bedenkt iets. iets om in de tent te tonen.

hij heeft al wat geleerd. een koprol.

lang op één been staan. op zijn handen staan lukt ook al.

nu ja ... een beetje. hij laat het aan mama zien.

wat knap! zegt ze. maar nog niet goed genoeg.

toch geeft hij het niet op.

let op! denkt hij. op een dag ben ik beroemd!


hij heeft het papa laten zien.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

9.

renzo bedenkt iets. iets om in de tent te tonen.

hij heeft al wat geleerd. een koprol.

lang op één been staan. op zijn handen staan lukt ook al.

nu ja ... een beetje. hij laat het aan mama zien.

wat knap! zegt ze. maar nog niet goed genoeg.

toch geeft hij het niet op.

let op! denkt hij. op een dag ben ik beroemd!


papa zegt dat hij geweldig knap is.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

10.

renzo bedenkt iets. iets om in de tent te tonen.

hij heeft al wat geleerd. een koprol.

lang op één been staan. op zijn handen staan lukt ook al.

nu ja ... een beetje. hij laat het aan mama zien.

wat knap! zegt ze. maar nog niet goed genoeg.

toch geeft hij het niet op.

let op! denkt hij. op een dag ben ik beroemd!


renzo houdt vol.

waar of niet waar?

a)

waar

b)

niet waar

11.

mam koopt ijs.

ik eet ijs met room.

mijn zus lust geen ijs.


wie eet ijs met room?

a)

mam

b)

ik

c)

mijn zus

12.

ik ben niet sip.

mijn oom ben is ziek.

mijn zus is rijk.


wie is ben?

a)

ik

b)

mijn oom

c)

mijn zus

13.

de juf pakt een boek.

ze leest les 1 voor.

dan gaat het boek in de kast.


wat leest juf voor?

a)

een boek

b)

les 1

c)

de kast

14.

mo geeft het boek aan loes.

loes geeft het boek aan pim.

pim geeft het boek aan mij.


wie heeft het boek?

a)

pim

b)

loes

c)

ik

15.

oom bob


els en dirk zijn een paar.

dat zijn ze al heel lang.

dus is er feest.


voor wie is het feest?

a)

voor oom bob

b)

voor els en dirk

16.

het feest is in een zaal.

heel de zaal zit vol.

oom bob komt op.


waar is het feest?

a)

in een schuur

b)

in een huis

c)

in een zaal

17.

hij heeft raar haar.

het is geel.

het is niet echt.


wat is raar aan oom bob?

a)

zijn haar

b)

zijn lied

c)

zijn neus

18.

oom bob zingt een lied.

heel de zaal zingt mee.

ook els en dirk doen mee.


wat doet heel de zaal?

a)

die roept mee

b)

die zwijgt

c)

die zingt mee

19.

het lied is uit.

oom bob buigt en doet zijn haar af.

heel de zaal lacht.


wat doet bob als het lied uit is?

a)

hij lacht

b)

hij buigt

c)

hij zingt

20.

welke zin past bij de tekening?

a)

wim wil een das.

b)

wim wil een vis.

c)

wim wil een boek.

d)

wim wil een veer.

21.

welke zin past bij de tekening?

a)

loes is in het huis.

b)

loes is bij de schuur.

c)

loes zit op het dak.

d)

loes zit in de boom.

22.

welke zin past bij de tekening?

a)

een berk is een soort beest.

b)

een berk is een soort park.

c)

een berk is een soort kast.

d)

een berk is een soort boom.

23.

welke zin past bij de tekening?

a)

die heks doet wat leuks.

b)

die heks is heel arm.

c)

die heks is woest.

d)

die heks gaat naar de kerk.

24.

welke zin past best bij de tekening?

a)

bas lust geen soep.

b)

lies eet met een vork.

c)

de soep is warm.

d)

bas zit achter lies.

25.

welke zin past best bij de tekening?

a)

harm is aan het werk.

b)

harm loopt naar een kist.

c)

de kist is best een last.

d)

harm rust uit.