wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

OKAN A- OTT (werkwoorden)

Total questions: 40

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de stam van lachen? Ik ....

a)

lacht

b)

lach

c)

lachen

2.

Wat is de stam van eten? Ik ....

a)

eet

b)

et

c)

eett

3.

Wat is de stam van geven? Ik ....

a)

gev

b)

geev

c)

geef

d)

gef

4.

Wat is de stam van klimmen? Ik ....

a)

klimm

b)

kliim

c)

klim

5.

Wat is de stam van lopen? Ik ....

a)

loop

b)

lop

c)

loopt

6.

Wat is de stam van kijken? Ik ....

a)

kijk

b)

kijkk

c)

kijkt

7.

Wat is de stam van wijzen? Ik ....

a)

wijz

b)

wijs

c)

wijst

8.

Wat is de stam van nemen? Ik ....

a)

nem

b)

neemm

c)

neem

9.

Wat is de stam van blijven? Ik ....

a)

blijf

b)

blijv

c)

blijft

10.

Wat is de stam van vissen? Ik...

a)

viss

b)

viis

c)

vis

11.

Wat is de stam van niezen? Ik...

(a)  

12.

Wat is de stam van zitten? Ik...

(a)  

13.

Wat is de stam van hebben? Ik...

(a)  

14.

Wat is de stam van kopen? Ik...

(a)  

15.

Wat is de stam van zijn? Ik...

(a)  

16.

Wat is de stam van beloven? Ik...

(a)  

17.

Wat is de stam van verven? Ik...

(a)  

18.

Vervoeg het werkwoord in de OTT.

Hij ........ (drinken) een glas cola.

a)

drinkt

b)

drink

c)

drinkk

19.

Helia ........ (eten) een pizza.

a)

eten

b)

ete

c)

eet

20.

De leerling........ (wenen).

a)

wenen

b)

went

c)

weent

21.

De 2 kinderen ....(spelen) in de tuin.

a)

spelen

b)

speel

c)

speelt

22.

Het meisje ....(spelen) in de tuin.

a)

speelt

b)

speel

c)

spelen

23.

Mevrouw Ann .. (kloppen) op de deur.

a)

kloppen

b)

klopt

c)

kloppt

24.

Wij (a)   (eten) een broodje.

25.

Hij (a)   (verven) het huis.

26.

Ik ... (voelen) me verdrietig.

(a)  

27.

De jongen (a)   (niezen) veel.

28.

We ... (niezen) veel.

(a)  

29.

Dat meisje ... (zwemmen) goed.

(a)  

30.

Frank ... (praten) met Portia.

(a)  

31.

Ik (a)   (praten) met de leerkracht.

32.

Het meisje (a)   (kloppen) op de deur.

33.

Die jongen (a)   (zijn) groot.

34.

Mevrouw Ann (a)   (hebben) twee kinderen.

35.

Ik (a)   (beloven) dat.

36.

Wij (a)   (weten) het nog niet.

37.

De leerling (a)   (komen) uit een ander land.

38.

Wij (a)   (zijn) vandaag in de klas.

39.

In OKAN (leren) (a)   ik veel Nederlands.

40.

Ik (a)   (vinden) deze toets moeilijk. Ik moet nog veel studeren voor het examen!