wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat NN H5 en 6 2TL

Total questions: 37

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

exact

a)

hetzelfde

b)

precies

c)

zeker

d)

helemaal

2.

absoluut

a)

zeker weten

b)

vanzelfsprekend

c)

vast en zeker

d)

uiteraard

3.

uiteraard

a)

vanzelfsprekend

b)

zeker weten

c)

vast en zeker

d)

helemaal

4.

de mogelijkheid

a)

de kans

b)

de gebeurtenis

c)

de gelegenheid

d)

de manier

5.

aanpassen

a)

aanhouden

b)

aantrekken

c)

passend maken

d)

voor een doel geschikt maken

6.

bieden

a)

zeggen dat het niet mag

b)

zeggen dat het moet

c)

geven

d)

ontvangen

7.

waarschijnlijk

a)

vermoedelijk

b)

bovendien

c)

uiteraard

d)

misschien

8.

Ik welke zinnen past het woord 'tarief'

a)

Het gemiddelde ......................... voor deze reis kun je vinden op de site

b)

De kinderen pasten de tarieven aan, toen het weer veranderde

c)

Er is een verhoging van de ......................... aangekondigd. Het entreegeld voor dit pretpark is nu €30 pp

d)

Mijn oma vroeg ik de tarieven bij de buurvrouw wilde halen voor haar.

9.

vermijden

a)

verder weg neerzetten

b)

uit de weg gaan

c)

zorgen dat het er niet komt

d)

de verkeerde weg nemen

10.

droppen

a)

neerzetten

b)

afzetten

c)

overzetten

d)

inzetten

11.

dichtstbijzijnde

a)

tegenover

b)

ernaast

c)

het verst weg

d)

het minst ver weg

12.

arriveren

a)

weggaan

b)

aankomen

c)

opkomen

d)

achterlaten

13.

eenmaal

a)

enig

b)

ooit

c)

eens

d)

nooit

14.

In welke zin wordt het woord primitief goed gebruikt.

a)

We verblijven in primitieve huisjes op vakantie

b)

Deze mensen kleden zich erg primitief

c)

De primitieve cruise naar Miami was super de luxe

d)

'Wat is dit voor primitief gedoe', zei mijn zus toen ik sushi bestelde

15.

faciliteiten

a)

regels

b)

spullen

c)

mogelijkheden

d)

hulpmiddelen

16.

origineel

a)

voor iedereen gemaakt

b)

zelf bedacht

c)

alleen voor jezelf

d)

zelfstandig

17.

inmiddels

a)

ondertussen

b)

achteraf

c)

voordat

d)

inmiddels

18.

In welke zin wordt het woord 'officieel' goed gebruikt

a)

De winkel is officieel nog niet geopend, maar je mag wel naar binnen.

b)

De officiële mededeling over de sluiting van het bedrijf van de directeur komt morgen

c)

Als we de rechtszaak willen winnen, moeten wel de officiële weg bewandelen

d)

Het huwelijk wordt vanmiddag voltrokken op het gemeentehuis pas dan is het niet officieel

19.

de techniek

a)

de manier waarop je iets doet

b)

de manier waarop je het uitlegt

c)

de manier waarop iets werkt

d)

de manier waarop het gaat

20.

komisch

a)

grappig

b)

hilarisch

c)

vanuit het heelal

d)

lacherig

21.

overkomen

a)

maken

b)

geven

c)

gebeuren

d)

bewerken

22.

in werkelijkheid

a)

realiteit

b)

in het echt

c)

op dit moment

d)

zoals het hoort

23.

creëren

a)

maken

b)

scheppen

c)

bloeien

d)

kweken

24.

accentueren

a)

'je' en 'jou' tegen mensen zeggen die je niet kent

b)

met een accent praten

c)

benadrukken

d)

extra op laten vallen

25.

de weerspiegeling

a)

de glans

b)

het spiegelbeeld

c)

doorschijnend

d)

meerdere spiegels

26.

opzienbarend

a)

verbazingwekkend

b)

belachelijk

c)

hilarisch

d)

vanzelfsprekend

27.

In welke zin wordt het woord 'maximaal' goed gebruikt

a)

Het maximaal toegestane aantal mensen in een ruimte is beperkt

b)

Maximaal vijf, dus meer dan 5 is ook goed.

c)

Wat is het maximale bedrag wat je er voor wil uitgeven

d)

De maximale breedte van deze doorgang is 2 meter, dus je vrachtwagen van 2,35 meter breed kan er net wel door.

28.

de positie

a)

de plaats waar iets of iemand zich bevindt

b)

de plek die niet te vinden is

c)

nederzetting

d)

de stad

29.

dateren

a)

op volgorde van datum zetten

b)

de datum onthouden

c)

afkomstig uit

d)

waar je vandaan komt

30.

Dat is niet meer van deze tijd

a)

het gaat snel voorbij

b)

dat is heel ouderwets

c)

hij maakt zich er niet druk over

d)

hij hoeft zich niet te haasten

31.

De tijd vliegt

a)

aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen

b)

hij hoeft zich niet te haasten

c)

later zullen we het weten

d)

het gaat snel voorbij

32.

De tijd zal het leren

a)

dat is heel ouderwets

b)

het gaat snel voorbij

c)

vroeg opstaan

d)

later zullen we het weten

33.

dat is heel ouderwets


Het zal zijn tijd wel duren

a)

over een tijdje vind je vanzelf een oplossing

b)

hij maakt zich er niet druk over

c)

later zullen we het weten

d)

hij hoeft zich niet te haasten

34.

Hij heeft de tijd

a)

over een tijdje vind je vanzelf een oplossing

b)

het gaat snel voorbij

c)

hij hoeft zich niet te haasten

d)

hij maakt zich er niet druk over

35.

Je tijd vooruit zijn =

a)

dat is heel ouderwets

b)

over een tijdje vind je vanzelf een oplossing

c)

hij maakt zich er niet druk over

d)

ideeën die later pas gewaardeerd worden

36.

Komt tijd, komt raad

a)

over een tijdje vind je vanzelf een oplossing

b)

ideeën die later pas gewaardeerd worden

c)

ideeën die later pas gewaardeerd worden

d)

het gaat snel voorbij

37.

Met de tijd meegaan =

a)

over een tijdje vind je vanzelf een oplossing

b)

aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen

c)

hij hoeft zich niet te haasten

d)

vroeg opstaan