wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 64

Worksheet time: 44mins

Name
Class
Date
1.

In de afbeelding zie je een jonge Maleise tapir en zijn moeder. Heeft het jonge dier hetzelfde fenotype als het volwassen dier?

a)

juist

b)

onjuist

2.

Sara heeft een broertje Thijs en een zusje Anna. Hebben Sara, Thijs en Anna hetzelfde DNA?

a)

juist

b)

onjuist

3.

Hoeveel chromosomen heeft een cel van de maagwand?

a)

2

b)

23

c)

46

d)

Dat kun je niet weten

4.

John heeft veel getraind. Zijn spieren zijn hierdoor dik geworden. Is er bij John het fenotype veranderd?

a)

Zeker

b)

nee, dat verandert nooit

5.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

6.

Alle zichtbare eigenschappen van een organisme noemen we

a)

Fenotype

b)

Genotype

7.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Geslachtschromosomen bepalen of je man bent of vrouw. Welke combinatie is juist.

a)

XY = vrouw

b)

XY = man

9.

Hoeveel genen heb je voor een eigenschap?

a)

1

b)

2

c)

23

d)

46

10.

Als de erfelijke informatie voor een eigenschap hetzelfde is ben je

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

11.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

12.

Je genotype kun je veranderen

a)

waar

b)

niet waar

13.

Hoeveel chromosomen zitten er in een lichaamscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

32

d)

64

14.

Hoeveel chromosoomparen zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

23

b)

46

c)

zitten geen paren in, zijn enkel

15.

In een eicel zit erfelijk materiaal van vader en moeder

a)

waar

b)

niet waar

16.

Als je een bruin kleurtje hebt gekregen van de zon, dan is je ............veranderd.

a)

fenotype

b)

genotype

17.

Chromosomen zitten in ...............

a)

Het DNA

b)

de genen

c)

de celkern

18.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu

19.

Is een gen een deel van een chromosoom dat informatie bevat voor alle erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

20.

Wat ontstaat er bij de deling van een moedercel?

a)

een kindercel

b)

een dochtercel

c)

een zooncel

d)

een nakomelingcel

21.

In de eicellen van de vrouw komen allemaal dezelfde genotype voor.

a)

waar

b)

niet waar

22.

In de zaadcellen van de man zitten allemaal verschillende genotype.

a)

waar

b)

niet waar

23.

Bij een mutatie zijn een of meerdere genen veranderd of gemuteerd

a)

waar

b)

niet waar

24.

Albinos komen alleen bij dieren voor.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Waardoor ontstaat de bleke, witte kleur van een albino?

a)

ze hebben een witte stof in hun bloed

b)

ze kunnen geen pigment aanmaken waardoor ze bleek,wit zijn

c)

ze hebben een speciale witte laag op hun huid

26.

Stoffen in sigarettenrook en asbest horen bij mutagene invloeden

a)

waar

b)

niet waar

27.

Bij het kleuren van haar verander je ook je genotype

a)

waar

b)

niet waar

28.

Bij het zetten van een tattoo verander je het fenotype

a)

waar

b)

niet waar

29.

Het samensmelten van een eicel met een zaadcel noemen we ongeslachtelijke voortplanting.

a)

waar

b)

niet waar

30.

Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.

Welke bewering over de jonge planten is juist?

a)

De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.

b)

De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.

c)

De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.

d)

De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.

31.

Wat is geen voorbeeld van ongeslachtelijke voortplanting

a)

Het maken van knollen door een plant

b)

Het vermeerderen van planten door stekken

c)

Het vermeerderen van planten door weefselkweek

d)

Het ontstaan van zaden

32.

Bij welk type voortplanting hebben de nakomelingen altijd hetzelfde genotype als de ouder?

a)

Bij geslachtelijke voortplanting.

b)

Bij ongeslachtelijke voortplanting.

33.

Wordt kanker veroorzaakt door mutaties?

a)

ja

b)

nee

34.

Biedt langdurig zonnebaden bescherming tegen mutaties?

a)

ja

b)

nee

35.

Ontstaat uit een gezwel altijd kanker?

a)

ja

b)

nee

36.

Is de informatie in de twee genen van een genenpaar altijd gelijk?

a)

ja

b)

nee

37.

Wat zijn manieren om erfelijkheidsonderzoek toe te passen voor de geboorte? (drie mogelijkheden)

a)

Echoscopie

b)

Vruchtwaterpunctie

c)

Bloedonderzoek

d)

Vlokkentest

e)

Karyogram

38.

Wanneer de eigenschap voor bruine ogen dominant is en een persoon heeft bruine ogen dan is hij/zij waarschijnlijk .... voor deze eigenschap

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

c)

Homozygoot en heterozygoot zijn beide mogelijk

39.

Welke vorm heeft een vrouw bij een stamboom?

a)

Vierkant

b)

Driehoek

c)

Rond

40.

Is de witte vachtkleur dominant of recessief?

a)

Dominant

b)

Recessief

41.

Is cavia nummer 1 heterozygoot (Aa) of homozygoot (AA/aa)?

a)

Aa

b)

aa

c)

Dat kun je niet bepalen

d)

AA

42.

Wat is het genotype van cavia nummer 11

a)

AA

b)

Aa

c)

aa

d)

Dat weet je niet.

43.

AA x aa geeft de volgende nakomelingen:

a)

50% AA en 50% aa

b)

100% Aa

c)

100% AA

d)

25% AA en 50% Aa en 25% aa

44.

Aa x Aa geeft de volgende nakomelingen:

a)

100% Aa

b)

50% AA en 50% aa

c)

25% AA en 50% Aa en 25% aa

45.

Een cel heeft 7 chromosomen in de kern. Wat voor soort cel is dit?

a)

Lichaamscel

b)

Geslachtscel

46.

In de afbeelding is het ontstaan van een tweeling weergegeven. Kind 1 is een jongen.

Welk geslacht heeft kind 2?

a)

Jongen

b)

Meisje

c)

Niet af te leiden

47.

Hoeveel chromosomen zitten er in een geslachtscel van de mens?

a)

32

b)

64

c)

46

d)

23

48.

Het albino-fenotype bij fretten is ooit ontstaan door een mutatie in één fret die veel nakomelingen kreeg.

Waar heeft deze mutatie waarschijnlijk plaatsgevonden?

a)

In een lichaamscel

b)

In een geslachtscel

49.

Een zwarte vacht bij cavia's is dominant over wit. Een witte cavia wordt gekruist met een homozygote zwarte cavia. Wat is de kans op een homozygoot jong?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

50.

Twee zwarte cavia's krijgen samen witte en zwarte jongen. Ze krijgen nog een jong. Wat is de kans dat dit jong homozygoot zwart is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

51.

Een koe heeft voor vachtkleur genotype Bb

a)

de koe is bruin want bruin is dominant

b)

de koe is heterozygoot voor vachtkleur

c)

de koe is wit van vacht

d)

Dit kan je niet weten: te weinig informatie

52.

genotype bb noemen we

a)

homozygoot dominant

b)

heterozygoot

c)

homozygoot recessief

d)

dit kan je niet weten: te weinig info

53.

3. Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.

Hoeveel procent van de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden? Werk deze kruising uit op papier en geef dan het goede antwoord

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

54.

de letter P in een kruisingsschema staat voor de ouders die de nakomelingen krijgen

a)

dit is helemaal niet waar

b)

dat is half waar

c)

dit is helemaal waar

d)

dit kan je niet weten:te weinig informatie

55.

Een ouderpaar heeft allebei bruine ogen en krijgen een kind met blauwe ogen. Kan dit? Bruin is dominant. Probeer eerst op papier deze kruising uit te werken en geef dan het goede antwoord.

a)

ja dat kan, omdat de ene ouder homozygoot recessief is en de ander homozygoot dominant

b)

ja dat kan, omdat beide ouders heterozygoot zijn

c)

ja dat kan , omdat beide ouders homozygoot recessief zijn

d)

Ja dat kan, omdat beide ouders homozygoot recessief zijn

e)

nee, dat kan nooit.

56.

Wat is de definitie van biotechnologie?

a)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om een product te maken of een probleem op te lossen

b)

Levende organismen (of delen ervan) gebruiken om geld mee te verdienen

c)

Levende organismen genetisch modificeren

d)

Bacteriën gebruiken om een product te maken

57.

Wat is GEEN punt van zorg in de biotechnologie?

a)

Ethische bezwaren tegen genetische modificatie

b)

Gezondheidsbezwaren tegen het eten van genetisch gemodificeerd voedsel

c)

Dat we meer voedsel gaan produceren dan nodig is

d)

Gevaren voor het ecosysteem bij het gebruik van genetisch gemodificeerde bacteriën in het milieu

58.

Als je suikerziekte hebt maakt je lichaam een bepaald hormoon niet meer aan, dit is:

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

eilandjes van Langerhans

59.

Bij een intermediair fenotype

a)

Komt het dominante gen tot uiting

b)

Komt het recessieve gen tot uiting

c)

Komt een mix van twee dominante genen tot uiting

d)

Komt een mix van twee recessieve genen tot uiting

60.

Een mutatie komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

61.

Een mutant is een organisme

a)

waarvan het DNA in de cellen plotseling veranderd is

b)

waarvan het plotseling veranderde DNA tot uiting is gekomen

c)

Waarvan de zaadcellen/eicellen een mutatie bevatten

d)

waarvan de lichaamscellen een mutatie bevatten

62.

Prenataal onderzoek is onderzoek dat plaatsvindt

a)

Als de baby wordt geboren

b)

Als de baby 1 jaar is

c)

Als de bevruchting plaatsvindt

d)

Als de foetus nog niet is geboren

63.

Wat is geen kenmerk van klonen

a)

nakomelingen hebben hetzelfde genotype

b)

stekken

c)

embryosplitsing

d)

nieuwe genotypen

64.

Een kweker heeft een appelras gekruist welke veel appels oplevert met een appelras dat niet snel ziekt wordt. De kweker selecteert de appelbomen die veel appels opleveren en goed bestand zijn tegen ziektes. Hoe wordt het selecteren van organismen op gunstige eigenschappen ook wel genoemd?

a)

Natuurlijke selectie

b)

Kunstmatige selectie

c)

Selectie