wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

woordenschat 2LATa juni

Total questions: 40

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Geef 1 vertaling van cruor

(a)  

2.

Geef 1 vertaling van numquam

(a)  

3.

Geef 1 vertaling van proficisci

(a)  

4.

Geef 1 vertaling van poculum

(a)  

5.

Geef 1 vertaling van sinere

(a)  

6.

Geef 1 vertaling van sicut

(a)  

7.

Geef 1 vertaling van bos

(a)  

8.

Geef 1 vertaling van oriri

(a)  

9.

Geef 1 vertaling van foris

(a)  

10.

Geef 1 vertaling van beatus

(a)  

11.

Geef 1 vertaling van omen

(a)  

12.

Geef 1 vertaling van laedere

(a)  

13.

Geef 1 vertaling van referre

(a)  

14.

Geef 1 vertaling van strepitus

(a)  

15.

Geef 1 vertaling van antequam

(a)  

16.

Geef 1 vertaling van sitis

(a)  

17.

Geef 1 vertaling van turpis

(a)  

18.

Geef 1 vertaling van vetare

(a)  

19.

Geef 1 vertaling van ad tempus

(a)  

20.

Geef 1 vertaling van condicio

(a)  

21.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van tetigi is...

a)

tegere

b)

tangere

c)

het antwoord staat er niet tussen

22.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van apparui is...

a)

apparere

b)

aperire

c)

het antwoord staat er niet tussen

23.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van volutum is...

a)

velle

b)

volare

c)

volvere

24.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van dedi is...

a)

dare

b)

dedere

c)

het antwoord staat er niet tussen

25.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van posui is...

a)

potiri

b)

posse

c)

ponere

26.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van dilexi is...

a)

diligere

b)

dilegere

c)

diligire

27.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van latum is...

a)

latere

b)

esse

c)

ferre

28.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van quaesitum is...

a)

quaerare

b)

queri

c)

het antwoord staat er niet tussen

29.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van veritus sum is...

a)

verere

b)

vereri

c)

veri

30.

moeilijke stamtijden: het grondwoord van iuvi is...

a)

iurare

b)

iubere

c)

het antwoord staat er niet tussen

31.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'neus' is ...

a)

nasus

b)

natus

32.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'wijsheid' is...

a)

sapiens

b)

sapientia

33.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'golf' is...

a)

umbra

b)

unda

34.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'slag' is...

a)

verber

b)

verbum

35.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'bron' is...

a)

pons

b)

fons

36.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'vuur' is...

a)

ignis

b)

igitur

37.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'melk' is...

a)

lacus

b)

lac

38.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'koningin' is...

a)

regina

b)

regia

39.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'daarheen' is...

a)

illic

b)

illuc

40.

Van Nederlands naar Latijn: het Latijnse woord voor 'verbergen' is...

a)

abdere

b)

condere