Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T1-H2-3- Financiering 3 -Waar hoort het kenmerk thuis ?

Total questions: 10

Worksheet time: 3mins

Name
Class
Date
1.

Bij dit type financiering kunnen verschillende personen elk een klein deeltje van een groot geheel verschaffen

a)

obligatielening

b)

investeringskrediet

c)

kaskrediet

d)

straightloan

e)

kapitaal

2.

Dit type lening is niet toegestaan voor besloten vennootschappen en eenmanszaken

a)

obligatielening

b)

investeringskrediet

c)

kaskrediet

d)

straight loan

3.

Type lening dat ideaal is voor een grote investering waarvan de uitgaven / betalingen in de tijd gespreid zijn

a)

obligatielening

b)

investeringskrediet

c)

kaskrediet

d)

straightloan

e)

beschikbare reserve

4.

Financieringsbron voor investeringen, die opgebouwd wordt vanuit de winst van een bedrijf

a)

beschikbare reserve

b)

wettelijke reserve

c)

kapitaal(sverhoging)

d)

vlottende activa

e)

vaste activa

5.

Financieringsmiddelen verkrijgen via het doorverkopen van verkoopfacturen

a)

vlottende activa

b)

kortlopende schulden

c)

factoring

d)

leasing

e)

voorraden

6.

Bij dergelijke langetermijnleningen is de intrestvoet vast

a)

obligatielening

b)

kaskrediet

c)

investeringskrediet

d)

leasing

7.

Bij deze kredietvormen zal de bank om waarborgen vragen

a)

obligatielening

b)

kaskrediet

c)

investeringskrediet

d)

straightloan

8.

NV's moeten jaarlijks 5% van hun winst opzij leggen. Dat moeten ze doen tot het ganse bedrag zo gelijk is aan 10% van het kapitaal. Dit gaat over ... en dat zorgt voor ...

a)

de wettelijke reserve

b)

de beschikbare reserve

c)

dividenden

d)

extra eigen vermogen

e)

extra kapitaal

9.

Welke begrippen hebben te maken met 'KAPITAAL'

a)

aandelen

b)

omvat reserves en overgedragen winsten

c)

is lange termijn financiering

d)

geeft recht op intresten

e)

geeft recht op dividenden

10.

Deze vorm van krediet kost niets.

a)

kaskrediet

b)

investeringskrediet

c)

leverancierskrediet

d)

obligatielening

e)

geen van alle