WorksheetsLezen herhaling lesstof brugklas KERN
Total questions: 19
Worksheet time: 8mins
Waar de tekst over gaat is:
de hoofdgedachte
het thema
het onderwerp
de titel
De drie hoofdtekstsoorten zijn:
informerende,
instruerende en
activerende teksten
verhalende,
informerende en
waarderende teksten
vertelling,
uiteenzetting en
recensie
beschrijvende,
verhalende en
overtuigende teksten
Welke tekstvormen zijn informerende teksten (vink die aan)
sprookje
gebruiksaanwijzing
nieuwsbericht
column
onderzoeksverslag
Het tekstdoel overtuigen hoort bij:
Verhalende teksten
Informerende teksten
Waarderende teksten
Het tekstdoel instructie geven hoort bij:
Verhalende teksten
Informerende teksten
Waarderende teksten
Een dagboek is een voorbeeld van een:
Verhalende teksten
Informerende teksten
Waarderende teksten
Bij een goed geschreven artikel komen in een alinea meerdere deelonderwerpen aan bod.
Ja
Nee
Een tekst bestaat meestal uit:
begin, vervolg, eind
inleiding, middenstuk, slot
anekdote, deelonderwerp, conclusie
voorbeeld, kern, eind
Welke functies heeft de inleiding van een tekst meestal?
Aandacht trekken
Hoofdgedachte introduceren
Korte samenvatting geven
Wat vind je vaak in het middenstuk van de tekst (meerdere antwoorden aankruisen)
achtergrond-informatie
de aanleiding voor het artikel
voorbeelden of argumenten
meningen van anderen op een rij
eindoordeel over het onderwerp
Wat lees je vaak in het slot van een tekst? Vink aan:
Samenvatting
Een voorbeeld of anekdote
Iets om het verhaal rond te maken
Introductie van een deelonderwerp
Conclusie
Alle teksten hebben een slot:
Ja natuurlijk!
Nee, een nieuwsbericht bijv. vaak niet.
De hoofdgedachte van een tekst is
een woord dat aangeeft waar de tekst over gaat.
een groepje woorden dat aangeeft waar de tekst over gaat.
een hele zin die het belangrijkste bevat wat de schrijver over een onderwerp wil zeggen.
de belangrijkste alinea van de tekst.
Wat is correct? De hoofdgedachte ...
staat altijd letterlijk in de tekst.
moet je soms zelf formuleren.
is altijd de eerste of laatste zin.
Welk tekstverband?: Het is mooi weer, maar ik ben toch met de auto.
opsomming
tijd
reden, oorzaak, gevolg
tegenstelling
Welk tekstverband?: Ik draag een bril om beter te kunnen lezen.
opsomming
doel-middel
reden, oorzaak, gevolg
tegenstelling
Welk tekstverband?: Omdat onze oven kapot is, kunnen we geen pizza bakken thuis.
opsomming
doel-middel
reden, oorzaak, gevolg
tegenstelling
Welk tekstverband?: Terwijl ik mijn huiswerk maak, is mijn zusje lekker buiten aan het spelen.
opsomming
tijd
reden, oorzaak, gevolg
tegenstelling
Welk tekstverband?: Piet is dyslectisch: hij heeft moeite met lezen en spelling.
opsomming
verduidelijking
reden, oorzaak, gevolg
tegenstelling
