Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lezen herhaling lesstof brugklas KERN

Total questions: 19

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Waar de tekst over gaat is:

a)

de hoofdgedachte

b)

het thema

c)

het onderwerp

d)

de titel

2.

De drie hoofdtekstsoorten zijn:

a)

informerende,

instruerende en

activerende teksten

b)

verhalende,

informerende en

waarderende teksten

c)

vertelling,

uiteenzetting en

recensie

d)

beschrijvende,

verhalende en

overtuigende teksten

3.

Welke tekstvormen zijn informerende teksten (vink die aan)

a)

sprookje

b)

gebruiksaanwijzing

c)

nieuwsbericht

d)

column

e)

onderzoeksverslag

4.

Het tekstdoel overtuigen hoort bij:

a)

Verhalende teksten

b)

Informerende teksten

c)

Waarderende teksten

5.

Het tekstdoel instructie geven hoort bij:

a)

Verhalende teksten

b)

Informerende teksten

c)

Waarderende teksten

6.

Een dagboek is een voorbeeld van een:

a)

Verhalende teksten

b)

Informerende teksten

c)

Waarderende teksten

7.

Bij een goed geschreven artikel komen in een alinea meerdere deelonderwerpen aan bod.

a)

Ja

b)

Nee

8.

Een tekst bestaat meestal uit:

a)

begin, vervolg, eind

b)

inleiding, middenstuk, slot

c)

anekdote, deelonderwerp, conclusie

d)

voorbeeld, kern, eind

9.

Welke functies heeft de inleiding van een tekst meestal?

a)

Aandacht trekken

b)
Onderwerp introduceren
c)

Hoofdgedachte introduceren

d)

Korte samenvatting geven

10.

Wat vind je vaak in het middenstuk van de tekst (meerdere antwoorden aankruisen)

a)

achtergrond-informatie

b)

de aanleiding voor het artikel

c)

voorbeelden of argumenten

d)

meningen van anderen op een rij

e)

eindoordeel over het onderwerp

11.

Wat lees je vaak in het slot van een tekst? Vink aan:

a)

Samenvatting

b)

Een voorbeeld of anekdote

c)

Iets om het verhaal rond te maken

d)

Introductie van een deelonderwerp

e)

Conclusie

12.

Alle teksten hebben een slot:

a)

Ja natuurlijk!

b)

Nee, een nieuwsbericht bijv. vaak niet.

13.

De hoofdgedachte van een tekst is

a)

een woord dat aangeeft waar de tekst over gaat.

b)

een groepje woorden dat aangeeft waar de tekst over gaat.

c)

een hele zin die het belangrijkste bevat wat de schrijver over een onderwerp wil zeggen.

d)

de belangrijkste alinea van de tekst.

14.

Wat is correct? De hoofdgedachte ...

a)

staat altijd letterlijk in de tekst.

b)

moet je soms zelf formuleren.

c)

is altijd de eerste of laatste zin.

15.

Welk tekstverband?: Het is mooi weer, maar ik ben toch met de auto.

a)

opsomming

b)

tijd

c)

reden, oorzaak, gevolg

d)

tegenstelling

16.

Welk tekstverband?: Ik draag een bril om beter te kunnen lezen.

a)

opsomming

b)

doel-middel

c)

reden, oorzaak, gevolg

d)

tegenstelling

17.

Welk tekstverband?: Omdat onze oven kapot is, kunnen we geen pizza bakken thuis.

a)

opsomming

b)

doel-middel

c)

reden, oorzaak, gevolg

d)

tegenstelling

18.

Welk tekstverband?: Terwijl ik mijn huiswerk maak, is mijn zusje lekker buiten aan het spelen.

a)

opsomming

b)

tijd

c)

reden, oorzaak, gevolg

d)

tegenstelling

19.

Welk tekstverband?: Piet is dyslectisch: hij heeft moeite met lezen en spelling.

a)

opsomming

b)

verduidelijking

c)

reden, oorzaak, gevolg

d)

tegenstelling