wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefentoets leerjaar 1

Total questions: 37

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

In een schematische tekening teken je alleen de belangrijkste kenmerken. Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

2.

Je werkt goed samen als je je aan afspraken houdt. Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

3.

In zaadlobben zit reservevoedsel. Ja of nee?

a)

nee

b)

ja

4.

Je karakter is een kenmerk van je uiterlijk. Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

5.

Een metalen emmer is een organisme. Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

6.

In een tabel van de groei van organismen staat de tijd in de rechter kolom. Ja of nee?

a)

ja

b)

nee

7.

Een kind tussen 0 en 2 jaar groeit snel.

a)

ja

b)

nee

8.

Hout komt van bomen. Is deze houten kast levend, dood of levenloos?

a)

levend

b)

dood

c)

levenloos

9.

Hoe noem je de doorsnede in afbeelding 3?

a)

Buitenaanzicht

b)

dwarsdoorsnede

c)

lengtedoorsnede

10.

Wat is zorgen?

a)

Goed opletten dat je jezelf en je kleding schoonhoudt.

b)

Goed opletten dat mensen, dieren en planten krijgen wat ze nodig hebben om te leven.

c)

Goed opletten wat je leerkracht zegt tijdens de les en gehoorzamen.

11.

Met welk nummer is de navel aangegeven?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

Lees de tekst. Maak daarna de vraag.


Asielmedewerker Ben werkt in een dierenasiel. Hij maakt de verblijven van de honden en katten schoon. Hij laat ook de honden uit. Ben vindt het leuk om de dieren te borstelen en hun vacht te verzorgen. Het is belangrijk dat Ben de dieren op tijd voert. Zo kunnen ze goed groeien. Als asielmedewerker moet je goed opletten of het goed gaat met de dieren. Je kunt aan hun gedrag zien hoe ze zich voelen. Soms is een dier ziek. Dan gaat Ben met het dier naar de dierenarts.


vraag: Wat moet Ben weten en kunnen in zijn beroep?

a)

Hij moet creatief zijn.

b)

Hij moet goed met geld om kunnen gaan.

c)

Hij moet veel weten over dieren.

13.

Lees de tekst. Maak daarna de vraag.


Asielmedewerker Ben werkt in een dierenasiel. Hij maakt de verblijven van de honden en katten schoon. Hij laat ook de honden uit. Ben vindt het leuk om de dieren te borstelen en hun vacht te verzorgen. Het is belangrijk dat Ben de dieren op tijd voert. Zo kunnen ze goed groeien. Als asielmedewerker moet je goed opletten of het goed gaat met de dieren. Je kunt aan hun gedrag zien hoe ze zich voelen. Soms is een dier ziek. Dan gaat Ben met het dier naar de dierenarts.


vraag: Welke zin over een dierenarts is waar?

a)

Als je dierenarts bent hoef je niets te weten over biologie.

b)

Als je dierenarts bent moet je veel weten over het lichaam van dieren.

c)

Als je dierenarts bent moet je weten hoe planten in de natuur leven.

14.

Vul de ontbrekende woorden in.

Groei is: het ……[1]……. en ……[2]……. worden van een organisme

(a)  

15.

Wat is de lengte in centimeters van het meisje bij 12 jaar?

Beantwoord de vraag door de grafiek af te lezen.

(a)  

16.

In welke levensfase kan een vlinder zich niet bewegen om op zoek te gaan naar voedsel (ei, rups, pop of vlinder)? Meerdere antwoorden zijn juist.

(a)  

17.

Sarah is het kleine zusje van Ruben. Sarah kan al een paar woordjes zeggen.

In welke levensfase zit Sarah waarschijnlijk?

a)

baby

b)

peuter

c)

kleuter

18.

Leeft een kikker vóór zijn gedaanteverwisseling op het land? Leg je antwoord uit.

(a)  

19.

Heeft een plant in een droge omgeving kleine, dikke bladeren en veel wortels?

a)

Ja

b)

Nee

20.

Wat is een ander woord voor een levend wezen?

(a)  

21.

Wat is een voorbeeld van een levend wezen? Er zijn meerdere antwoorden goed

a)

Mens

b)

Dier

c)

Plant

d)

Zon

22.

Wat zijn de 7 levenskenmerken?

a)

Ademhalen, springen, groeien, plassen, eten, voortplanten en proeven

b)

Ademhalen, bewegen, groeien, uitscheiden, voeden, voortplanten en waarnemen

c)

Ademhalen, bewegen, ontwikkelen, uitscheiden, drinken, voortplanten en kijken

d)

Ademhalen, bewegen, ontwikkelen, uitscheiden, drinken, voortplanten en ruiken

23.

Welke 7 kenmerken zie jij op het plaatje?

a)

De 7 uiterlijke kenmerken

b)

De 7 kenmerken van het karakter

c)

De 7 levenskenmerken

d)

De 7 ontwikkelingskenmerken

24.

Kijk naar de appel op het plaatje en beantwoord de volgende vraag

Een appel wordt steeds zwaarder.

Is dit een voorbeeld van groei of ontwikkeling?

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

25.

Kijk naar appel op de afbeelding

De appelboom krijgt bloesem (bloemen) en hieruit groeit een appel.

Is dit een voorbeeld van ontwikkeling of groei?

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

26.

Waaraan kan je zien dat een appelboom een levend wezen is?

a)

De appelboom kan ademhalen en bewegen, dat zijn levenskenmerken dus is een boom een levend wezen

b)

Een boom is geen levend wezen

c)

De appelboom scheidt uit en kan zich voortplanten door zaadjes, dat zijn levenskenmerken dus is een boom een levend wezen

d)

De appelboom groeit en kan zich voortplanten door zaadjes, dat zijn levenskenmerken en dus is een boom een levend wezen

27.

Schrijf een voorbeeld op waaruit lichamelijke ontwikkeling blijkt bij een mens (jongen of meisje)

(a)  

28.

Een bonenplant is een zaadplant. De bruine boon bestaat uit 4 onderdelen. Hoe heet het onderdeel rechtsonder op de afbeelding?

a)

Zaadhuid

b)

Poortje

c)

Navel

d)

Hartvormig bultje

29.

Op de afbeelding zie je een schematische tekening van een bruine boon. Hoe heet het onderdeel bij nummertje 4?

(a)  

30.

Zet de levensfasen van de mens in de juiste volgorde, van jong naar oud. De eerste levensfase klopt bij elk antwoord.

a)

baby

kleuter

oudere

peuter

puber

schoolkind

volwassene

adolescent

b)

baby

adolescent

kleuter

oudere

schoolkind

puber

volwassene

peuter

c)

baby

peuter

kleuter

puber

schoolkind

adolescent

oudere

volwassene

d)

baby

peuter

kleuter

schoolkind

puber

adolescent

volwassene

oudere

31.

Een plant maakt zijn eigen voedsel aan.

Hoe noem je dit?

a)

Voeden en ontwikkelen

b)

Fotosynthese

c)

Lichamelijke ontwikkeling van een organisme

32.

IJsberen zijn op veel manieren aangepast aan hun omgeving. Ze hebben bijvoorbeeld een dikke vacht, kleine oreb, lange neus, ruwe kussentjes, scherpe klauwen, scherpe tanden, een vetlaag, zwaar skelet en een witte vacht. Waarom hebben ijsberen een witte vacht?

(a)  

33.

Veel planten en dieren hebben aanpassingen om zich te verdedigen. Op de afbeelding zie je een bramenstruik. Veel dieren en mensen vinden de bramen lekker en willen ze plukken om op te eten. Op welke manier kan een bramenstruik zich verdedigen dat dit niet of minder gebeurd?

a)

Een bramenstruik heeft brandharen

b)

Een bramenstruik heeft schutkleuren

c)

Een bramenstruik heeft stekels

d)

Een bramenstruik heeft giftige doornen

34.

Tips over de verzorging van een plant vind je in een plantengids of online, ook zit er vaak een plantenlabel bij de plant als je hem koopt. Op een plantenlabel staan symbolen. Wat betekent het symbool D op de afbeelding?

a)

Standplaats zonnig en weinig water geven

b)

Standplaats halfschaduw en potgrond vochtig houden

c)

Standplaats zonnig en potgrond matig vochtig houden

d)

Standplaats halfschaduw en potgrond matig vochtig houden

35.

Wat moet er komen te staan op de plantenlabel bij de groene balk?

(a)  

36.

Wat zie jij op de afbeelding?

a)

Een grafiek

b)

Een tabel

37.

Kijk naar het plaatje. Is wat er op het plaatje staat dood, levensloos of levend?

(a)