wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 De consument Level 2 Hoe wordt de marktprijs bepaald

Total questions: 33

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

Een persoon die een goed of een dienst aanschaft is een

(a)  

2.

Een persoon of een onderneming die een goed produceert en/of verkoopt of een dienst levert is een

(a)  

3.

In de economie is een markt een plaats waar ...

4 lines
4.

Welke gegevens noteer je op de verticale as/Y-as bij een aanbodcurve?

a)

Prijs

b)

Hoeveelheid

c)

Gevraagde hoeveelheid

d)

Aangeboden hoeveelheid

5.

Welke gegevens noteer je op de horizontale as/X-as bij een vraagcurve?

a)

Prijs

b)

Hoeveelheid

c)

Gevraagde hoeveelheid

d)

Aangeboden hoeveelheid

6.

Welke gegevens noteer je op de horizontale as/X-as bij een vraag- en aanbodcurve?

a)

Prijs

b)

Hoeveelheid

c)

Gevraagde hoeveelheid

d)

Aangeboden hoeveelheid

7.

Welke gegevens noteer je op de horizontale as/X-as bij een aanbodcurve?

a)

Prijs

b)

Hoeveelheid

c)

Gevraagde hoeveelheid

d)

Aangeboden hoeveelheid

8.

Welke gegevens noteer je op de verticale as/Y-as bij een vraagcurve?

a)

Prijs

b)

Hoeveelheid

c)

Gevraagde hoeveelheid

d)

Aangeboden hoeveelheid

9.

De vraagcurve verloopt

a)

dalend

b)

stijgend

c)

vlak

10.

De aanbodcurve verloopt

a)

dalend

b)

stijgend

c)

vlak

11.

Wanneer er evenveel producten aangeboden worden als gevraagd worden, dan is dit de

(a)  

12.

Wanneer de aanbieders het product willen verkopen voor dezelfde prijs als dat de vragers het willen kopen, dan heet dit de

(a)  

13.

De gevraagde hoeveelheid wordt ook wel afgekort als

(a)  

14.

De aangeboden hoeveelheid wordt ook wel afgekort als

(a)  

15.

De prijs wordt ook wel afgekort als

(a)  

16.

De evenwichtshoeveelheid wordt ook afgekort als

(a)  

17.

De evenwichtsprijs wordt ook afgekort als

(a)  

18.

Als het inkomen van de consumenten stijgt, dan kopen of vragen ze ... producten.

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

19.

Als er meer sporters zijn, dan worden er ... sportkleren gekocht.

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

20.

Als het inkomen van de consumenten daalt, dan kopen of vragen ze ... producten.

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

21.

Als er minder sporters zijn, dan worden er ... sportkleren gekocht.

a)

meer

b)

minder

c)

evenveel

22.

Door de hogere vraag naar aardappelen wordt er bijna 10% meer betaald voor 1 kg aardappelen. Dat effect is ook voelbaar in de frituur. Wat gebeurt er met de Pe?

(a)  

23.

Door de hogere vraag naar aardappelen wordt er bijna 10% meer betaald voor 1 kg aardappelen. Dat effect is ook voelbaar in de frituur. Wat gebeurt er met de Qe?

(a)  

24.

Door de slechte oogst van appels stijgt de prijs van appelmoes in de supermarkt. Wat gebeurt er met de Pe?

(a)  

25.

Door de slechte oogst van appels stijgt de prijs van appelmoes in de supermarkt. Wat gebeurt er met de Qe?

(a)  

26.

Als de vraag stijgt, dan ... de prijs

(a)  

27.

Als de vraag daalt, dan ... de prijs.

(a)  

28.

Als het aanbod stijgt, dan ... de prijs

(a)  

29.

Als het aanbod daalt, dan ... de prijs.

(a)  

30.

Wat kan de overheid opleggen voor een product wanneer ze vindt dat de prijs te laag is voor de producent om genoeg te verdienen?

a)

maximumprijs

b)

minimumprijs

c)

aanbodoverschot

d)

vraagoverschot

31.

Wat kan de overheid opleggen voor een product omdat ze vindt dat de prijs te hoog is voor de consument?

a)

maximumprijs

b)

minimumvraag

c)

aanbodoverschot

d)

vraagoverschot

32.

Als de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid, dan is er een ...

a)

maximumprijs

b)

minimumprijs

c)

aanbodoverschot

d)

vraagoverschot

33.

Als de gevraagde hoeveelheid groter is dan de aangeboden hoeveelheid, dan is er een ...

a)

maximumprijs

b)

minimumprijs

c)

aanbodoverschot

d)

vraagoverschot