wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Oefenen proefwerk Planten en dieren

Total questions: 57

Worksheet time: 43mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn wel levenskenmerken? Meerdere keuzes mogelijk

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ontwikkelen

d)

Voortplanten

e)

Waarnemen

2.

water is

a)

Levenloos

b)

dood

3.

Het groter en zwaarder worden van een organisme heet

a)

Ontwikkelen

b)

groeien

4.

De (a)   is een witte plek op een zaadje waarmee deze vastzat aan de plant.

5.

Via het (a)   gaat water het zaadje in, daardoor kan de kiem in het zaadje gaan kiemen.

6.

Waar of niet waar? Een levenscyclus van een plant eindigt als de zaden gemaakt zijn om een nieuwe levenscyclus te starten.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Verandering in de bouw (uiterlijk) van een organisme heet

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

8.

In deze levensfase van een vlinder vindt de vervelling plaats

a)

1 Ei

b)

2 Larve

c)

3 Pop

d)

4 Imago

9.

Een volwassen kikker haalt adem door

a)

Longen

b)

De huid

c)

Inwendige kieuwen

d)

Uitwendige kieuwen

10.

Om glucose te maken heeft een plant nodig

a)

Zonlicht, water en koolstofdioxide

b)

Zuurstof, water en koolstofdioxide

c)

Zonlicht, water en zuurstof

11.

Wat is een aanpassing van een landplant?

a)

Drijven

b)

Diepe wortels

c)

Niet stevige stengel

12.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

De zaadhuid

b)

De navel

c)

Het poortje

d)

de zaadlob

13.

Wat is de functie van het poortje?

a)

Het afgeven van afvalstoffen

b)

Het opnemen van zuurstof

c)

het opnemen van water

d)

Het afgeven van water

14.

Wat is de functie van zaadlobben?

a)

Hierin zit reservevoedsel opgeslagen

b)

Hierin zit water opgeslagen

c)

Deze beschermt het zaad

15.

Welke van deze is géén levenskenmerk

a)

Uitscheiden

b)

Waarnemen

c)

Groeien

d)

Aanpassen

16.

Deze stepperoller op de afbeelding is...

a)

Levenloos

b)

Dood

c)

Levend

17.

Welk levenskenmerk is een zaad een voorbeeld van?

a)

Groeien

b)

Ontwikkelen

c)

Voortplanten

d)

Ademhalen

18.

Wanneer is een plant volwassen?

a)

Zodra deze zaad heeft

b)

Zodra deze bloemen heeft

c)

Wanneer de zaadlobben zijn afgevallen

19.

Deze baksteen is ...

a)

Dood

b)

Levenloos

c)

Levend

20.

Welke vorm van ontwikkeling zien we hier?

a)

Motorische ontwikkeling

b)

Geestelijke ontwikkeling

c)

Lichamelijke ontwikkeling

21.

welke deel van de plant eten we volgens de afbeelding?

a)

Bladeren

b)

Stengel

c)

Wortel

d)

Bloemen

22.

Welk deel van de planten eten we volgens deze afbeelding?

a)

Stengel

b)

Wortel

c)

Bladeren

d)

Vrucht

23.

Wat is glucose?

a)

Een soort vrucht van een plant

b)

De suiker die een plant maakt uit zonlicht

c)

De zaden van de plant

d)

Een onderdeel van de plant

24.

Welk deel van de plant zien we hier?

a)

Het zaad

b)

De stengel

c)

De vrucht

d)

De bladeren

25.

Welk levenskenmerk heeft met 'stoffen opnemen en afgeven' te maken (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

ademhalen

b)

voortplanten

c)

uitscheiden

d)

voeden

e)

groeien

26.

Een ander woord voor metamorfose is

a)

verkleden

b)

gedaanteverwisseling

c)

ontwikkeling

d)

veranderen

27.

en volwassen vlinder noemen we een

a)

larve

b)

imago

c)

pop

d)

rups

28.

Een klein rupsje kruipt uit het ei, eet en groeit totdat hij niet meer in zijn pantser past. Dan maakt hij een cocon.

a)

juist

b)

onjuist

29.

Een ontwikkeling van een kikkervisje tijdens de metamorfose is het krijgen van longen

a)

juist

b)

onjuist

30.

Tijdens de metamorfose krijgt een kikkervisje uitwendige kieuwen

a)

juist

b)

onjuist

31.

Meisjes krijgen borsten, dit is een voorbeeld van

a)

lichamelijke ontwikkeling

b)

motorische ontwikkeling

c)

geestelijke ontwikkeling

32.

dit is fotosynthes

a)

koolstofdioxide + water + energie(uit licht) --> glucose + zuurstof

b)

zuurstof + water + energie(uit licht) --> glucose + koolstofdioxide

c)

zuurstof + glucose + energie(uit licht) --> water + koolstofdioxide

d)

zuurstof + water --> glucose + koolstofdioxide + energie(uit licht)

33.

Eetbare delen van een plant zijn (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

bladeren

b)

bloemen

c)

zaden

d)

stengels

34.

Wanneer een boom sterft noem je de boom ...

a)

Dood

b)

Levenloos

c)

Omgevallen

35.

Wat is groei?

a)

Het groter en zwaarder worden van een organisme

b)

Het langer worden van een organisme

c)

Het groter worden van een organisme

36.

Zijn de bladeren van een plant uit het regenwoud groot of klein?

a)

Groot

b)

Klein

c)

Geen bladeren

37.

Wat voor doorsnede is te zien in het plaatje?

a)

Dwarsdoorsnede

b)

Lengtedoorsnede

c)

Buitenaanzicht

38.

Welk antwoord is geen tekenregel?

a)

Maak grote tekeningen

b)

Teken altijd met een pen

c)

Teken met duidelijke lijnen

d)

Zet een titel bij je tekeningen

39.

Bs 1.1 De steen is ... levend, dood of levenloos?

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

40.

Bs 1.1 De hond is ... levend, dood of levenloos?

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

41.

Bs 1.1 Het gehakt is ... levend, dood of levenloos?

a)

Levend

b)

Dood

c)

Levenloos

42.

Bs 1.1 Welk levenskenmerk zie je?

a)

Uitscheiden / ademhalen

b)

Voeden

c)

Groeien

d)

Bewegen

e)

Waarnemen

43.

Bs 1.5 Hoe zien de wortels van een woestijn plant er uit?

a)

Veel wortels

b)

Weinig wortels

c)

Geen wortels

44.

Leren onderzoeken - Welke doorsnede zie je van de appel?

(a)  

45.

Leren onderzoeken - In welke soort tekening teken je enkel de belangrijkste delen?

a)

Schematische tekening

b)

Natuurgetrouwe tekening

c)

Buitenaanzicht

46.

Leren onderzoeken - Welk soort tekening zie je?

a)

Schematische tekening

b)

Natuurgetrouwe tekening

47.
Wie worden hulpeloos geboren hebben nog geen veren en kunnen nog niet op eigen poten staan kunnen niet zien de eerste dagen na de geboorte?
a)
nestvlieders
b)
nestblijvers
48.
broeden soms meerdere keren per jaar
a)
nestblijvers
b)
nestvlieders
49.
jongen zijn bij de geboorte verder ontwikkeld en verlaten al vrij snel het nest.
Ze kunnen na de geboorte gelijk zien en na een paar uur al rondlopen. Ze zijn bedekt met donsveren.
a)
nestblijvers
b)
nestvlieders
50.
Een net geboren poesje is een nestvlieder.
a)
waar
b)
niet waar
51.
Alle zangvogels zijn nestblijvers
a)
waar
b)
niet waar
52.
Bij nestvlieders zijn de eieren groter omdat de jongen bij de geboorte al verder zijn ontwikkeld
a)
waar
b)
niet waar
53.
vogels die op de grond en op het water leven zijn meestal nestvlieders
a)
waar
b)
niet waar
54.
Welke vogels zijn sneller volwassen en leven daardoor eerder alleen verder zonder hun ouders?
a)
nestblijvers
b)
nestvlieders
55.
Muizen zijn nestvlieders
a)
waar
b)
niet waar
56.
Een veulentje is een nestvlieder
a)
waar
b)
niet waar
57.
Ganzen zijn nestblijvers
a)
waar
b)
niet waar