wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Voeding en Vertering

Total questions: 37

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Wat betekent het woord spijsvertering?

a)

Een ander woord voor verteringsstelsel

b)

Het verteren van eten

c)

Een ander woord voor voedingstoffen

2.

Waarom doen mensen aan spijsvertering?

a)

Zodat ze kunnen poepen

b)

Zodat je lekker kan eten

c)

Om energie te krijgen voor je cellen

d)

Om energie te krijgen voor je organen

3.

Waarin zitten de voedingsstoffen?

(a)  

4.

Een sporter heeft de hele avond gesport. Hij begint flink last te krijgen van zijn spieren. Welke voedingsstof is op dat moment goed voor hem?

(a)  

5.

Voordat je gaat sporten is het belangrijk dat je veel energie hebt. Welke van de onderstaande gerechten is goed voor het sporten?

a)

Pasta

b)

Salade

c)

Rijst

d)

Aardappels

6.

Waarom is het vorige gerecht goed voor je als je gaat sporten?

(a)  

7.

Wat is/zijn de functie(s) van een eiwit?

a)

Bouwstof, brandstof

b)

Beschermstof, bouwstof

c)

Reservestof, bouwstof

d)

Bouwstof

8.

Jantje voelt zich erg moe en heeft weinig energie. Hij heeft het gevoel alsof hij de hele dag wel kan slapen. Welke voedingsstof raad je jantje aan?

(a)  

9.

In Nederland komt er veel overgewicht voor. Mensen met overgewicht eten vaak te veel van bepaalde voedingstoffen. Welke voedingstof wordt voornamelijk veel gegeten door mensen met overgewicht?

a)

Vetten

b)

Koolhydraten

c)

Eiwitten

d)

Mineralen

10.

Als je een puber bent dan groei je hard. Als je hard groeit dan moet je lichaam veel nieuwe cellen aan maken. Dit geldt ook voor je botten. Mineralen zijn dan goed voor het stevig houden van je botten

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Vezels zijn goed voor de spijsvertering

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Vezels kunnen worden opgenomen in je bloedbaan

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Jantje eet heel erg weinig groenten. Hij heeft last van verstoppingen in zijn darmen en zijn darmen werken traag hoe kan dit?

a)

Hij heeft te veel vetten gegeten

b)

Hij heeft te weinig vezels binnen gekregen

c)

Hij heeft te weinig eiwitten binnen gekregen

14.

Wat is de schijf van vijf

a)

Een schijf met de dagelijkse aanbevolen hoeveelheid

b)

Een schijf met gezonde aanbevolen voeding

c)

Een schijf met vijf vakken die voedingstoffen laten zien

15.

Waarom is het vak met vetten kleiner als de rest van de vakken in de schijf van vijf?

a)

Vetten zijn ongezond dus je mag er niet veel van

b)

Je hebt niet veel vetten nodig om gezond te blijven

c)

Er zijn niet veel verschillende soorten vetten

16.

Welke organismen zorgen voor voedselbederf?

a)

Schimmels en bacteriën

b)

Alleen schimmels

c)

Alleen bacteriën

17.

Wat is een voedselvergiftiging

a)

Het eten van giftig voedsel waar je ziek van wordt

b)

Het eten van bedorven voedsel waar je ziek van wordt

c)

Een allergie tegen bepaalde voeding waar je ziek van wordt

18.

Waarom is het belangrijk om eten goed te conserveren (bewaren)

a)

Omdat er anders schimmels en bacteriën bij komen

b)

Omdat je ziek kan worden van voedsel dat niet goed is geconserveerd

19.

Welk orgaan geeft B aan?

(a)  

20.

Welk orgaan geeft L aan?

a)

De maag

b)

De lever

c)

De alvleesklier

d)

De galblaas

21.

Welk orgaan geeft D aan?

(a)  

22.

Welke functie heeft de galblaas

a)

Gal in de lever pompen om voedingstoffen te verkleinen

b)

Gal naar de dunne darm vervoeren om op te nemen in het bloed

c)

Gal naar de twaalfvingerige darm vervoeren om vetten te emulgeren

23.

Hoelang blijft eten opgeslagen in de maag?

a)

3/4 uur

b)

1 uur

c)

Niet, het gaat gelijk door

24.

Waar is maagzuur belangrijk voor?

a)

Het verkleinen van het voedsel

b)

Het doden van bacteriën

c)

Het verteren van eten

25.

Vanuit welk orgaan komt de voedselbrei je dunne darm in?

a)

De maag

b)

De dikke darm

c)

De twaalfvingerige darm

d)

De lever

26.

Als het eten in je dunne darm zit dan gaat het via de darmwand naar ..

a)

De dikke darm

b)

Het bloed

c)

De lever

d)

Je cellen

27.

Welke functie heeft de dikke darm?

a)

Het terug opnemen van water en zout in je lichaam

b)

Het terug opnemen van vezels in je lichaam

c)

Het opslaan van poep

d)

Het opnemen van voedingsstoffen

28.

Welke functie heeft het glazuur in je tand?

a)

Je tand beschermen tegen bacteriën

b)

Je tand beschermen tegen schimmels

c)

Ervoor zorgen dat je goed je eten kan kauwen

29.

In welk deel van je tand ontstaan gaatjes?

a)

Je glazuur

b)

Je tandwortel

c)

Je zenuwen

d)

Je tandvlees

30.

Hoeveel tanden heeft een mens

a)

20

b)

32

c)

38

d)

41

31.

Wat is een ander woord voor planteneter?

(a)  

32.

Wat is een ander woord voor vleeseter

a)

Carnivoor

b)

Carnovoor

c)

Carnuvoor

d)

Carnavoor

33.

Wat is een omnivoor

(a)  

34.

Waarom heeft een planteneter een langer verteringsstelsel?

a)

Omdat planten moeilijk te verteren zijn

b)

Omdat planteneters minder groenten eten

c)

Omdat planteneters groter zijn dan vleeseters

35.

Hoe heten de kiezen van een vleeseter

(a)  

36.

Bij welk dier hoort het gebit plooikiezen?

a)

Omnivoor

b)

Herbivoor

c)

Carnivoor

d)

Insectivoor

37.

Wat voor gebit heeft een omnivoor?

(a)