wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Spelling werkwoorden H1

Total questions: 20

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.


Mijn moeder zegt dat ik nooit zo maar mijn vingers .......... (branden, tt).

a)

Brand

b)

Brandt

c)

Brant

2.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.


......... (melden, tt) je je even bij de wedstrijdleiding?

a)

Meld

b)

Meldt

c)

Melt

3.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.


Vladimir Poetin ............ (besturen, tt) zijn land met harde hand.

a)

Bestuurd

b)

Bestuurt

c)

Bestuurdt

4.

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.


Je ............. (bonzen, tt) al drie kwartier op de deur!

a)

Bons

b)

Bonz

c)

Bonst

d)

Bonzt

5.
Welk blauw woord is fout gespeld? 
a)
Wordt ik beloond voor mijn goede prestatie?
b)
Word ik beloond voor mijn goede prestatie?
6.
Welk blauw woord is fout gespeld? 
a)
Bindt jij de ketting aan de fietsten?
b)
Bind jij de ketting aan de fietsten?
7.
Vul het werkwoord 'beantwoorden' in op de puntjes. (t.t.)
De meester ... de vraag.
a)
beantwoort
b)
beantwoorde
c)
beantwoordt
d)
beantwoord
8.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
9.
Vul het werkwoord 'besturen' in op de puntjes. (t.t.)
Jan ... de radiografisch bestuurbare auto.
a)
bestuurt
b)
bestuurd
c)
bestuurdt
d)
bestuurde
10.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
11.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond
12.
Vul het werkwoord 'gebeuren' in op de puntjes. (t.t.)
Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.
a)
gebeurdt
b)
gebeurde
c)
gebeurd
d)
gebeurt
13.
De trouwstoet (begeven t.t.) zich naar het stadhuis.
a)
begaf
b)
begeeft
c)
begeven
d)
begeef
14.
Nu (ervaren t.t.) hij wie zijn vrienden zijn.
a)
Ervaart
b)
Ervoer
c)
Ervaarde
d)
Ervaard
15.

(worden t.t.) je zus morgen zestien jaar?

(a)  

16.

Iedereen (vinden t.t.) vindt het een goed idee om een mondkapje te dragen.

(a)  

17.

(vinden t.t.) vind jij het een goed idee om een mondkapje te dragen?

(a)  

18.

Hij (rijden t.t.) altijd veel te hard op zijn scooter.

(a)  

19.

Ik (branden t.t.) mijn vingers altijd aan de kachel.

(a)  

20.

Dat huis (branden t.t.) helemaal af.

(a)