Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

COM1 H1 t/m H3

Total questions: 36

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Retailbedrijven verkopen aan...

a)

Consumenten

b)

Bedrijven

c)

Overheid

2.

De winkelformule bestaat uit de marktpositie, de retailmix en de (a)  

3.

De markt van een retailer bestaat uit.......

a)

Consumenten

b)

Marktplein

c)

Concurrenten

d)

Studenten

4.

Groothandels verkopen aan...

a)

Consumenten

b)

Bedrijven

c)

Overheid

5.

Een bedrijf met 75 medewerkers is een...

a)

Kleinbedrijf

b)

Middelgroot bedrijf

c)

Grootwinkelbedrijf

6.

Een bedrijf met 275 medewerkers is een...

a)

Kleinbedrijf

b)

Middelgroot bedrijf

c)

Grootwinkelbedrijf

7.

Voorbeeld van een niet-winkelvorm verkoopkanaal:

a)

Webshop

b)

Ambulante handel

c)

Twitter

8.

Als een bedrijf alleen verkoopt via een fysieke winkel is dat...

a)

Single channel

b)

Multichannel

c)

Omnichannel

9.

Als een bedrijf verkoopt via meerdere onafhankelijke verkoopkanalen is dat....

a)

Single channel

b)

Multichannel

c)

Omnichannel

10.

Als een bedrijf verkoopt via meerdere verkoopkanalen met gelijke prijzen en voorwaarden is dat....

a)

Single channel

b)

Multichannel

c)

Omnichannel

11.

Alle organisaties van de productie van grondstoffen tot de distributie aan de consument noem je samen....

a)

Bedrijfskolom

b)

Bedrijfstak

c)

Branche

d)

Kartel

12.

Alle organisaties die vergelijkbare producten en/of diensten verkoopt aan de consument noem je samen....

a)

Bedrijfskolom

b)

Branche

c)

Kartel

13.

Als een bedrijf activiteiten eerder of later in de bedrijfskolom zelf gaat doen, spreek je van....

a)

Parallellisatie

b)

Integratie

c)

Differentiatie

d)

Specialisatie

14.

Als een bedrijf producten gaat verkopen die niet bij het normale assortiment horen, spreek je van....

a)

Parallellisatie

b)

Integratie

c)

Differentiatie

d)

Specialisatie

15.

Als een bedrijf zich gaat toespitsen op een kleine groep producten, spreek je van....

a)

Parallellisatie

b)

Integratie

c)

Differentiatie

d)

Specialisatie

16.

In een bedrijfskolom zijn stromen van geld, goederen en (a)  

17.

Als een producent rechtstreeks gaat verkopen aan de consument, spreek je van....

a)

Directe distributie

b)

Indirecte korte distributie

c)

Indirecte lange distributie

18.

Als een product via groothandel en retail verkocht wordt aan de consument, spreek je van....

a)

Directe distributie

b)

Indirecte korte distributie

c)

Indirecte lange distributie

19.

Als een producent de marketingactiviteiten richt op de eindconsument, spreek je van...

a)

Push-strategie

b)

Pull-strategie

20.

Als een producent de marketingactiviteiten richt op de tussenhandel, spreek je van...

a)

Push-strategie

b)

Pull-strategie

21.

Als een producent het product op zoveel mogelijk plekken wil verkopen, spreek je van....

a)

Intensieve distributie

b)

Selectieve distributie

c)

Exclusieve distributie

22.

Als een producent het product op een klein aantal plekken wil verkopen, spreek je van....

a)

Intensieve distributie

b)

Selectieve distributie

c)

Exclusieve distributie

23.

Als je als ondernemer tegen betaling gebruik maakt van de winkelformule van een ander bedrijf, spreek je van...

a)

Franchising

b)

Consignatie

c)

Shop-in-shop

d)

Service merchandising

24.

Als je als winkel een deel van je schapruimte laat bewerken door een leverancier, spreek je van...

a)

Franchising

b)

Consignatie

c)

Shop-in-shop

d)

Service merchandising

25.

Als je als winkel een deel van je winkelruimte laat bewerken door een andere retailer, spreek je van...

a)

Franchising

b)

Consignatie

c)

Shop-in-shop

d)

Service merchandising

26.

Netwerken doe je...

a)

Continu

b)

Op vaste tijden

c)

Eens per maand

d)

Alleen bij netwerkborrels

27.

In een supermarkt is vooral sprake van het verkoopsysteem...

a)

Bediening

b)

Zelfkeuze

c)

Zelfbediening

28.

In een slagerij is vooral sprake van het verkoopsysteem...

a)

Bediening

b)

Zelfkeuze

c)

Zelfbediening

29.

Waar staat de S voor in SMART-doelstellingen?

(a)  

30.

Waar staat de R voor in SMART-doelstellingen?

(a)  

31.

Is dit SMART?

"Het doel is om 400% meer omzet te behalen in dit jaar."

a)

Juist

b)

Onjuist

32.

Is dit SMART?

"Het doel is om het dervingspercentage van de broodafdeling onder de 2% te krijgen voor het einde van 2020."

a)

Juist

b)

Onjuist

33.

"Core benefit" is een andere manier om te kijken het marketinginstrument...

a)

Product

b)

Prijs

c)

Personeel

d)

Plaats

34.

De "Wheel of Retailing" start door...

a)

Toetreden discounter

b)

Toename concurrentie

c)

Afname verschillen

d)

Trading down

35.

Concurreren op prijs is de generieke concurrentiestrategie...

a)

Kostenleiderschap

b)

Differentiatie

c)

Focus

36.

Concurreren door je te richten op een specifieke doelgroep is de generieke concurrentiestrategie...

a)

Kostenleiderschap

b)

Differentiatie

c)

Focus