wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taalweb 1: Thema 1-4

Total questions: 60

Worksheet time: 2hrs 0mins

Name
Class
Date
1.

Communicatie: hoe noemen we de persoon die iets zegt?

a)

de boodschap

b)

de ontvanger

c)

de zender

d)

het kanaal

2.

Wat is de bedoeling van een krantenartikel?

a)

informeren

b)

ontspannen

c)

ontroeren

d)

overtuigen

3.

Welk leesteken komt na deze zin:

"Waarom voel jij je verdrietig ... "

a)

een punt (.)

b)

een uitroepteken (!)

c)

een vraagteken (?)

d)

een komma (,)

4.

Wat is GEEN voorbeeld van een tekstsoort?

a)

een gedichtje

b)

een kassaticket

c)

een raadseltje

d)

een kanaal

5.

Welk soort zin is dit?

"Joepie, we gaan op bosklassen!"

a)

een mededelende zin

b)

een fluisterende zin

c)

een uitroepende zin

d)

een vraagzin

6.

18. Welk leesteken schrijf je op het einde van deze zin?

"Elien en Ahmed zijn neef en nicht .... "

a)

een punt (.)

b)

een vraagteken (?)

c)

een uitroepteken (!)

d)

een apostrof (')

7.

Welk tekstdoel past ZEKER NIET bij een doodsprentje?

a)

informeren

b)

ontspannen

c)

ontroeren

d)

overtuigen

8.

Wat maakt GEEN deel uit van het communicatiemodel?

a)

de zender

b)

het kanaal

c)

het doel

d)

de situatie

9.

Wanneer schrijf je een hoofdletter?

a)

Aan het begin van een zin

b)

bij namen van sporten

c)

na een komma

10.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

"Gisteren reed Jan met zijn motorfiets naar huis."

a)

Jan

b)

gisteren

c)

reed

d)

met zijn motorfiets

11.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

"Wij moesten van de meester naar buiten gaan."

a)

wij

b)

naar buiten

c)

moesten

d)

gaan

12.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

"Tegen je vrienden mag je dialect praten."

a)

Tegen je vrienden

b)

mag

c)

dialect

d)

praten

13.

Bij wie moet je zeker standaardtaal spreken?

a)

je broer of zus

b)

je leraar

c)

je oma

14.

Na de coronaperiode ga je op reis naar Nederland.

In een winkel wil je iets kopen. Welke taal zal je gebruiken?

a)

dialect

b)

tussentaal

c)

standaardtaal

15.

Welk woord is juist geschreven?

a)

misschien

b)

mischien

16.

Welk woord is juist geschreven?

a)

wedstrijd

b)

wedstreid

17.

Welk woord is juist geschreven?

a)

corect

b)

correct

18.

Welk woord is als enige FOUT geschreven?

a)

trainen

b)

aandachtig

c)

clup

d)

misschien

19.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Die arme man bevindt zich in een moeilijke ......... ."

a)

situatie

b)

kenmerk

c)

opvallen

d)

voorstelling

20.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Samira ......... de twee smartphones voordat ze beslist welke ze koopt."

a)

bepaalt

b)

vergelijkt

c)

overloopt

d)

stelt voor

21.

Wat betekent het schooltaalwoord 'opvallen'?

a)

de aandacht trekken

b)

vertellen

c)

snel bekijken

d)

uitbeelden

22.

Welk werkwoord staat in de infinitief (ik zal ........)?

a)

werkt

b)

werk

c)

gewerkt

d)

werken

23.

Wat is de stam van dit werkwoord (ik ........ nu)?

a)

lopen

b)

liep

c)

loop

d)

loopt

24.

Wat is het BELANGRIJKSTE tekstdoel van reclame?

a)

ontroeren

b)

overtuigen

c)

ontspannen

25.

Welke van deze werkwoorden staat NIET in de stamvorm?

a)

ga

b)

doe

c)

zwemt

d)

game

26.

Welke tekst heeft als doel je te ontspannen?

a)

een klantenkaart

b)

een stripverhaal

c)

een handleiding

d)

een opsporingsbericht

27.

Welke tekstsoort gebruik ik NIET als ik als:

Ik een lekkere taart wil maken

a)

een website

b)

een kookboek

c)

een tijdschrift over maaltijden

d)

een kruiswoordraadsel

28.

Wat betekent het woord 'fictie'?

a)

Dat zijn verhalen die de schrijver zelf verzonnen heeft.

b)

Dat zijn verhalen die echt gebeurd zijn.

c)

Dat zijn verhalen die over bananen gaan.

d)

Dat zijn verhalen die niet kloppen.

29.

Hoe maakt een schrijver zijn tekst aantrekkelijker?

a)

Door een titel toe te voegen.

b)

Door afbeeldingen toe te voegen en verschillende lettertypes te gebruiken.

c)

Door met een rode balpen te schrijven.

d)

Door zinnen te maken met maar 6 woorden in.

30.

Welk soort zin is dit?

"Is jouw rokje blauw?"

a)

een mededelende zin

b)

een ja-neevraag

c)

een uitroepende zin

31.

Hoe noem je een tekstblokje in een gedicht?

a)

een witruimte

b)

een strofe

c)

een fragment

d)

een kenmerk

32.

Welke van deze zinnen is een ja-neevraag?

a)

Drie pizza's voor tafel drie.

b)

Hoeveel eenden lopen er over straat?

c)

Waarom ben je boos?

d)

Kent iemand hier een Henk?

33.

Wat betekent het schooltaalwoord 'instructie'?

a)

uitleg over hoe je iets moet doen

b)

weten wie iemand is of wat iets is

c)

met een vinkje zichtbaar maken wat je kiest uit een lijst

d)

een bel warme lucht

34.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Elke tekst heeft een ......... ."

a)

instructie

b)

bedoeling

c)

situatie

d)

fragment

35.

Vul de zin aan met het meest passende woord.

"Wie aan topsport wil doen, moet hard .......... ."

a)

rijmen

b)

voorspellen

c)

trainen

d)

opvallen

36.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Ik moet de slechte boodschap aan mijn moeder ......... . "

a)

aflopen

b)

bepalen

c)

overbrengen

d)

bepalen

37.

Welke van de volgende woorden is GEEN werkwoord

a)

bekijken

b)

twijfelen

c)

hebben

d)

wolven

38.

Is het onderwerp alleen (enkelvoud) of met meer (meervoud)?

"Wij eten morgen frietjes met stoofvlees."

a)

enkelvoud (alleen)

b)

meervoud (met meer)

39.

Is het onderwerp alleen (enkelvoud) of met meer (meervoud)?

"Op de tafel ligt een gigantisch grote banaan."

a)

enkelvoud (alleen)

b)

meervoud (met meer)

40.

Wat is het onderwerp van deze zin?

"In een rustig tempo lopen Rafik, Mette en Ivo de helling op."

a)

In een rustig tempo

b)

lopen

c)

Rafik, Mette en Ivo

d)

de helling

41.

Wat betekent 'de stuipen op het lijf jagen'?

a)

je spieren laten samentrekken

b)

spierpijn hebben

c)

heel erg doen schrikken

42.

Wat betekent 'aandacht besteden aan'?

a)

er totaal niet geïnteresseerd in zijn

b)

er aandacht voor hebben en er geld aan uitgeven

c)

er goed tegen kunnen

43.

Welk woord is juist geschreven?

a)

belangrijk

b)

belangerijk

44.

Welk woord is FOUT geschreven?

a)

electriciteit

b)

wrijving

c)

voorzichtig

d)

controle

45.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Je moet ...... heel wat stappen om een papieren vliegtuigje te maken."

a)

behoren tot

b)

bedoeling

c)

rekening houden met

d)

aanduiden

46.

Wat is het onderwerp in de volgende zin?

"Als een stuntman springt hij van de hoogste duikplank."

a)

Als een stuntman

b)

springt

c)

hij

d)

de hoogste duikplank

47.

Welk woord is juist geschreven?

a)

grappig

b)

grapig

48.

Wat is de juiste meervoudsvorm van 'spook'?

a)

spoken

b)

spooken

49.

Welk woord is juist geschreven?

a)

tuinen

b)

tuinnen

50.

Hoor je een korte of een lange klank in dit woord?

"baard"

a)

een korte klank

b)

een lange klank

51.

Hoor je een korte of een lange klank in dit woord?

"bomen"

a)

een korte klank

b)

een lange klank

52.

Welk woord is verkeerd geschreven?

a)

buuren

b)

beren

c)

messen

d)

paardje

53.

Vul de zin aan met het meest passende schooltaalwoord.

"Luister goed naar de ...... van de leraar."

a)

vervolgens

b)

personages

c)

instructies

d)

elektriciteit

54.

Welk woord past in de zin?

"Heb jij nog veel ...... met vroegere klasgenoten?"

a)

wrak

b)

record

c)

contact

d)

formule

55.

Welke tekstsoort is dit?

a)

een prentenboek

b)

een folder

c)

een affiche

d)

een recept

56.

Welke tekstsoorten zijn dit?

a)

raadseltjes

b)

tijdschriften

c)

affiches

d)

cartoons

57.

Welk schooltaalwoord betekent 'hoe iets eruit ziet'?

a)

voorzichtig

b)

beschrijving

c)

verklaring

d)

instructie

58.

Wat betekent het tekstdoel 'ontroeren'?

a)

je leert iets bij

b)

je geniet van een tekst

c)

iemand wil dat je iets doet

d)

de tekst roept gevoelens bij je op

59.

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin?

"In een dierenpark in Californië ontstond een bijzondere vriendschap."

a)

In een dierenpark in Californië

b)

ontstond

c)

een bijzondere vriendschap

60.

Welk zinsdeel geeft een antwoord op de vraag: "Wie of wat doet er iets in de zin?" ?

a)

de persoonsvorm

b)

het onderwerp

c)

de ja-neevraag