wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 15

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.
Je ziet in de afbeelding een krokusknol met enkele scheuten. De scheuten kunnen van de knol worden gehaald en verder groeien als afzonderlijke planten.
Welke bewering over de jonge planten is juist?
a)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
b)
De jonge planten ontstaan door geslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
c)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal een verschillend genotype.
d)
De jonge planten ontstaan door ongeslachtelijke voortplanting en hebben allemaal hetzelfde genotype.
2.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

3.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

4.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

5.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

6.

Een wipneus is dominant over rechte neus.

Een homozygote dominante moeder, en een homozygote recessieve vader krijgen een kindje

a)

dit kindje heeft een rechte neus

b)

dit kindje heeft een wipneus

c)

je weet niet wat dit kindje voor neus heeft

7.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

8.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu

9.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

10.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
11.

Verandert bij celdeling de informatie voor erfelijke eigenschappen?

a)

ja

b)

nee

12.

Wanneer komt het genotype van een baby tot stand?

a)

bij de vorming van de eicel

b)

bij de bevruchting

c)

bij de geboorte

13.

Een dominant gen komt altijd tot uiting

a)

Juist

b)

Onjuist

14.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

15.

Waardoor ontstaat het fenotype?

a)

genotype

b)

invloeden uit het milieu

c)

geen van beiden

d)

zowel genotype als invloeden vanuit het milieu