wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 4 + 5: eigenschappen van materie en stofomzettingen

Total questions: 32

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Aluminiumfolie is een voorbeeld van een grondstof.

a)

juist

b)

fout

2.

Van klein naar groot kunnen we materie op deze manier rangschikken: molecule --> atoom --> stof --> voorwerp.

a)

juist

b)

fout

3.

We kunnen overgaan van een vaste stof naar een vloeistof door energie toe te voegen.

a)

juist

b)

fout

4.

Het meetinstrument waarmee we ons gewicht kunnen aflezen is de personenweegschaal.

a)

juist

b)

fout

5.

°C, m, cm, l … zijn allemaal voorbeelden van grootheden.

a)

juist

b)

fout

6.

Het meetbereik van een weegbrug is groter dan dat van een personenweegschaal.

a)

juist

b)

fout

7.

Een kubus met zijden van 100 cm komt overeen met een volume van 1000 liter.

a)

juist

b)

fout

8.

Om het volume van een vloeistof in een buisje af te lezen, moet je altijd kijken naar de bovenkant van de vloeistofmeniscus.

a)

juist

b)

fout

9.

In zeepsop is zeep het oplosmiddel en water de opgeloste stof.

a)

juist

b)

fout

10.

Wanneer de temperatuur verhoogt, vergroten de deeltjes, waardoor ze verder van elkaar komen te zitten.

a)

juist

b)

fout

11.

Een zuivere stof kan bestaan uit meerdere soorten atomen.

a)

juist

b)

fout

12.

Lucht is een voorbeeld van een zuivere stof.

a)

juist

b)

fout

13.

Is deze stof een voorbeeld van een zuivere stof of een mengsel?

a)

zuivere stof

b)

mengsel

14.

Welke aggregatietoestanden kunnen we van elkaar onderscheiden?

(a)  

15.

In welke eenheid drukken we gewicht uit?

(a)  

16.

Hoeveel decaliter (dal) komt overeen met 12 hectoliter (hl)? Maak zelf een omzettingstabel om om te zetten.

(a)  

17.

Hoeveel ton komt overeen met 1 gram?

(a)  

18.

Wat is de inhoud van een cilindervormige ton met een straal van 10 cm en een hoogte van 3,183 m uitgedrukt in liter? Rond af tot op 1 liter nauwkeurig.

(a)  

19.

Een pot choco heeft een inhoud van 95 cl. Hoeveel boterhammen van 10 cm op 18 cm kan Linda smeren als ze de chocolaag 1,5 mm dik smeert?

(a)  

20.

Van welke fenomeen is deze proef een voorbeeld?

(a)  

21.

In welke aggregatietoestand is de cohesie het grootst?

(a)  

22.

Welke faseovergang vindt er plaats wanneer er ‘rook’ boven een kom met droogijs ontstaat?

(a)  

23.

Welke faseovergang vindt er plaats wanneer jouw brilglazen aandampen wanneer je plots van koude in warme lucht terechtkomt?

(a)  

24.

Hoe heet een verschijnsel waarbij de samenstelling van een stof verandert en er nieuwe moleculen gevormd worden?

(a)  

25.

Een ijsje wordt in de zomer uitgeschept en in de zon opgegeten. Wat gebeurt er op deeltjesmodel met het ijsje?

(a)  

26.

Ik laat in de zomer op een zonnige dag mijn drinkfles met water liggen in de auto. Met welk verschijnsel krijg ik te maken binnenin mijn drinkfles?

a)

fysisch verschijnsel

b)

chemisch verschijnsel

27.

Welk fenomenen zijn geen voorbeeld van desublimeren?

a)

ijsbloemen die zich op ruiten vormen wanneer het zeer koud is

b)

droogijs dat je aan een emmer met water toevoegt, waardoor een gaswolk ontstaat

c)

rijp dat zich vormt aan bomen

d)

brilglazen die aandampen wanneer je in de koude terechtkomt

28.

Aan welke faseovergang(en) moet er warmte toegevoegd worden?

a)

condenseren

b)

sublimeren

c)

stollen

d)

desublimeren

29.

Een lepel zout wordt toegevoegd aan een glas met water. Hoeveel soorten moleculen vinden we in het glas terug?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

30.

Een lepel zout wordt toegevoegd aan een glas met water. Hoeveel soorten atomen vinden we in het glas terug?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

31.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
32.

Welke faseovergang zie je op de afbeelding?

a)

smelten

b)

verdampen

c)

condenseren

d)

sublimeren