wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

natuurwetenschappen trim 2

Total questions: 50

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

De celbegrenzing bij een plantaardige cel noemen we het celmembraan.

a)

juist

b)

fout

2.

Bij een plant vind je in elk plantendeel bladgroenkorrels.

a)

juist

b)

fout

3.

Als je start met het grootste en eindigt met het kleinste, wat is dan de juiste volgorde?

a)

organisme, stelsel, orgaan, weefsel, cel, molecule, atoom

b)

organisme, weefsel, stelsel, orgaan, molecule, cel, atoom

c)

orgaan, stelsel, weefsel, organisme, cel, molecule, atoom

d)

atoom, molecule, cel, weefsel, orgaan, stelsel, organisme

4.

Op de afbeelding zie je een dierlijke cel.

a)

juist

b)

fout

5.

Duid alle uitspraken aan die juist zijn.

a)

Beide cellen hebben een celmembraan.

b)

Beide cellen hebben een celwand.

c)

De dierlijke cel heeft geen vacuole.

d)

Nummer 2 stelt de vacuole voor.

e)

Nummer 3 en 9 bevatten DNA.

6.

Een orgaan is een groepering van cellen met dezelfde vorm en / of dezelfde functie.

a)

Juist

b)

Fout

7.

Welke uitspraak klopt?

a)

Lucht is materie want het heeft een massa en een gewicht.

b)

Lucht is materie want het heeft een massa en een volume.

c)

Lucht is geen materie, want z'n massa is 0.

d)

Lucht is geen materie, want je kunt het niet voelen of zien.

8.

Welke definitie van massa klopt?

a)

De massa van een voorwerp is de kracht die het uitoefent op de vloer of een ophangpunt.

b)

De massa van een voorwerp is de hoeveelheid materie die een stof bevat.

c)

Massa is de hoeveelheid ruimte een stof inneemt.

d)

Geen van bovenstaande antwoorden is juist.

9.

1 cm3 komt overeen met:

a)

1 l

b)

1 dl

c)

1 cl

d)

1 ml

10.

Met een maatbeker kun je nauwkeuriger werken dan met een maatcilinder.

a)

Juist

b)

Fout

11.

Welke stelling over thermische beweging van deeltjes klop? ( proef met eosine / warm en koud water )

a)

Een hogere temperatuur wil zeggen dat de waterdeeltjes meer heftig zullen bewegen.

b)

Daardoor zullen de waterdeeltjes meer gaan botsen met de kleurstofdeeltjes en zich trager verspreiden.

c)

De kleurdeeltjes verspreiden zich in het water in rechtlijnige patronen.

12.

Als je een suikerklontje oplost in water, dan ... :

a)

Zal de massa van het water toegenomen zijn.

b)

Zal het volume van het water toegenomen zijn.

c)

Beide antwoorden hierboven zijn juist.

d)

Alle uitspraken hierboven zijn fout.

13.

Welke uitspraken zijn juist?

a)

Ik zie op de tekening 3 verschillende soorten atomen.

b)

Ik zie op de tekening 6 verschillende soorten atomen.

c)

Ik zie op de tekening 6 moleculen.

d)

Ik zie op de tekening 6 atomen.

e)

Dit zijn geen atomen of moleculen, het zijn cellen.

14.

Een zuivere stof bestaat uit allemaal dezelfde atomen.

a)

Juist

b)

Fout

15.

Welke uitspraken over de aggregatietoestanden kloppen?

a)

Vaste stoffen en vloeistoffen hebben een vaste vorm.

b)

Vaste stoffen en vloeistoffen hebben een vast volume.

c)

Vaste stoffen en vloeistoffen zijn niet samendrukbaar.

d)

Stoffen ondergaan een volumeverandering bij temperatuursverandering.

e)

Gassen hebben een variabele vorm, variabel volume en zijn goed samendrukbaar.

16.

Elektriciteitskabels hangen strakker in de zomer dan in de winter.

a)

Dat komt door een opwarming en dus een volumetoename.

b)

Dat komt door een opwarming en dus een volumeafname.

c)

De antwoorden hierboven kloppen allebei niet.

d)

De stelling in de vraag zelf klopt niet.

17.

Nummer 1 stelt de volgende faseovergang voor:

a)

smelten

b)

stollen

c)

verdampen

d)

condenseren

e)

sublimeren

18.

Welke stelling over afbeelding 4 klopt?

a)

Nummer 4 stelt stollen voor, daarvoor is toevoeging van warmte nodig.

b)

Nummer 4 stelt smelten voor en daar heb je warmte voor nodig.

c)

Nummer 4 stelt stollen voor, daar heb je afkoeling voor nodig.

d)

Afbeelding 4 stelt condenseren voor en daar heb je afkoeling voor nodig.

19.

Welke uitspraken zijn juist?

a)

Bij een faseovergang verandert de samenstelling van de deeltjes niet.

b)

Bij een stofomzetting kan de structuur van de deeltjes niet veranderen.

c)

Bij een faseovergang moet warmte of koude toegevoegd worden zodat de aggregatietoestanden kunnen veranderen.

d)

Bij een stofomzetting verandert de samenstelling van de deeltjes wel.

20.

Bij welke voorbeelden is er sprake van een stofomzetting?

a)

Water dat bevriest.

b)

Lava wordt lavasteen door toevoeging van koude.

c)

Een bruistablet in water.

d)

ijzer roest

e)

Energie die vrijkomt in onze cellen.

21.

De hoeveelheid ruimte die de materie inneemt. Dat is de definitie van ...

a)

massa

b)

volume

22.

Duid alle zuivere stoffen aan!

a)

kraantjeswater

b)

keukenzout

c)

lucht

d)

oliedruppel

e)

goud

23.

Duid alles juiste antwoorden aan!

"Bij de proef met de bol van 's Gravesande zal bij een temperatuursverhoging ..."

a)

de thermische beweging van de deeltjes toenemen.

b)

Hierdoor gaan de deeltjes meer botsen.

c)

Hierdoor wordt de ruimte tussen de deeltjes kleiner.

d)

Waardoor vaste stoffen inkrimpen.

e)

Waardoor vaste stoffen meer ruimte innemen.

24.

Bij een temperatuurstijging is er bij alle stoffen een volumetoename.

a)

juist

b)

fout

25.

De faseovergang waarbij we een "geurboompje" boven een kaars hielden waarbij gassen vrijkwamen is een voorbeeld van ...

a)

sublimeren

b)

desublimeren

c)

condenseren

d)

verdampen

26.

Bij een stofomzetting verandert zowel de structuur als de samenstelling van een stof.

a)

juist

b)

fout

27.

Bij een stofomzetting ontstaan nieuwe stoffen. Duid aan hoe die nieuwe stoffen ontstaan ( één juist antwoord )

a)

door atomen te veranderen

b)

door atomen te doen verdwijnen

c)

door atomen te creëren

d)

door het hercombineren van atomen

28.

Wat is de SI-eenheid van massa?

a)

m

b)

V

c)

gram

d)

kilogram

e)

m3

29.

Van welke grootheid is liter een eenheid?

a)

massa

b)

volume

c)

kubieke meter

30.

Waar lucht is, kan geen water komen, hierdoor bleef bijvoorbeeld de papierprop droog. Dat is een voorbeeld van het principe van ...

(a)  

31.

Een lege ballon heeft kleinere massa dan een opgeblazen ballon.

a)

juist

b)

fout

32.

De massa van een vaste stof met een regelmatige vorm bepaal je met de formule: lengte x breedte x hoogte.

a)

juist

b)

fout

33.

Het volume van een vaste stof met een onregelmatige vorm bepaal je door ...

a)

het principe van waterverdringing

b)

een digitale balans te gebruiken

c)

door de formule: L x B x H

34.

liter, kilogram en gram zijn ...

a)

eenheden

b)

grootheden

35.

massa en volume zijn voorbeelden van ...

a)

eenheden

b)

grootheden

36.

Wat is het meetbereik van deze maatbeker?

a)

80 ml

b)

40 ml

c)

400 ml

37.

Wat is de nauwkeurigheid van deze maatcilinder?

a)

50 ml

b)

10 ml

c)

1 ml

38.

Wat gebeurt er met de massa van een voorwerp als het in water wordt ondergedompeld?

a)

De massa neemt af.

b)

De massa neemt toe.

c)

De massa blijft gelijk.

39.

Welke faseovergang vindt plaats wanneer waterdamp afkoelt en verandert in vloeibaar water?

a)

sublimeren

b)

smelten

c)

condensatie

d)

verdampen

40.

Bij een chemische reactie blijven de atomen behouden, maar veranderen ze van samenstelling.

a)

fout

b)

juist

41.

Welke energieomzetting gebeurt er in de bladgroenkorrels

a)

Chemische energie wordt omgezet naar kinetische energie en thermische energie.

b)

Kinetische energie wordt omgezet naar thermische energie en chemische energie.

c)

Er gebeurt geen energieomzetting.

d)

Thermische energie wordt omgezet in kinetische en chemische energie.

42.

De proef met "de bol van 's Gravesande" is een toepassing van ...

a)

een faseovergang

b)

stofomzetting

c)

thermische beweging van deeltjes

d)

Alle antwoorden zijn fout.

43.

Duid alle juiste antwoorden aan in verband met mitochondrium.

a)

Aanwezig bij bij zowel plantaardige als dierlijke cellen.

b)

Daar wordt suiker verbrand met zuurstofgas.

c)

Daar wordt energie gemaakt.

d)

Daar wordt suiker ( glucose ) gemaakt.

e)

Dat zijn kleine korreltjes in de vacuole.

44.

In welk celonderdeel vind je "desoxyribonucleïnezuur"?

a)

celkern

b)

cytoplasma

c)

celmembraan

d)

celwand

e)

vacuole

45.

Welk celonderdeel heeft een dierlijke cel niet?

a)

vacuole

b)

celkern

c)

cytoplasma

d)

celmembraan

e)

mitochondriën

46.

De proef waarbij we bakpoeder lieten reageren met azijn is een voorbeeld van ...

a)

faseovergang

b)

stofomzetting

c)

chemische reactie

d)

thermische beweging van deeltjes

47.

leidingwater is een voorbeeld van een ...

a)

mengsel

b)

zuivere stof

48.

Als je werkt met een microscoop dan moet je altijd beginnen met de ...

a)

kleinste vergroting

b)

grootste vergroting

49.

Wat is de kleinste levende eenheid van een organisme?

a)

cel

b)

molecule

c)

atoom

d)

weefsel

e)

orgaan

50.

Wat wordt er aangemaakt in bladgroenkorrels?

a)

energie

b)

zonlicht

c)

glucose

d)

zuurstofgas

e)

koolstofdioxide