wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Pincode economie vmbo klas 3 hoofdstuk 3

Total questions: 14

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een vorm van directe ruil?

a)

Je koopt in de kledingwinkel een nieuw jasje

b)

Je koopt in de kringloopwinkel een cadeau voor moederdag

c)

Je ruilt met je goede vriend een game voor de psp 4

d)

Je zet je oude speelgoed bij het grof vuil

2.

Waar wordt geld gebruikt als rekenmiddel.

( meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Je spaart voor een nieuwe scooter

b)

Je koopt in de kantine een broodje

c)

Je kijkt op internet waar schoenen goedkoop zijn

d)

Je stelt een aankoop in een winkel uit omdat je op zoek wilt naar een goedkopere broek

3.

Wat is chartaal geld? ( meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Geld in de kassa van een winkel

b)

Geld in je spaarpot

c)

Geld in je broekzak

d)

Geld in je portemonnee

4.

Hoort het geld op je spaarrekening bij giraal geld?

a)

Ja

b)

Nee

5.

Jeroen heeft afgelopen maand voor € 1500,- aankopen op internet gedaan en met zijn creditcard betaald. Aan het eind van de maand betaalt hij 2,5% van het bedrag aan Mastercard. Welk bedrag moet jeroen aan eht eind van de maand minimaal betalen?

a)

€ 37,50

b)

€ 3,75

c)

€ 375,-

d)

€ 1537,50

6.

In wel voorbeeld wordt sparen uit voorzorg gebruikt?

a)

Je moeder legt elke week geld apart om jouw je zakgeld te geven per maand

b)

Je spaart voor nieuwe Dr Martens

c)

Je legt geld opzij voor het onderhoud van je scooter

d)

Je spaart voor een cadeau voor de leukste juf van school

7.

Bij welke rekening heb je minder rente inkomsten als de rentestand daalt?

a)

Op een depositorekening

b)

Op een internetspaarrekening

8.

Bereken de rente op basis van enkelvoudige rente:


Spaarsaldo is € 1650,- Rente % 2,4. Hoeveel is de rente na 5 jaar?

(a)  

9.

Op basis van samengestelde rente:

Spaarsaldo € 800 Rente 2,5%

Hoeveel is de rente na 2 jaar?

(a)  

10.

In welk voorbeeld is sprake van het woord krediet?

( meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Bedrag dat je tegoed hebt op je bankrekening.

b)

Je hebt geld geleend bij je ouders en je betaald in termijn terug

c)

Het bedrag dat je krijgt van je opa en oma voor je rapport

d)

Geld dat je geleend hebt bij een vriend om een broodje te kopen in de kantine. Je betaalt de volgende dag in 1 keer terug

11.

Bereken de kredietkosten:

Je leent € 4000,-

maandtermijn € 130,- en je betaalt in 3 jaar terug

(a)  

12.

Van welk leenmotief is hier sprake?

Je moeder heeft de auto elke dag nodig voor haar werk. Op een dag gaat de auto kapot en ze heeft geen geld om hem te laten repareren. Het geld hiervoor leent ze

a)

Tijdelijk geld tekort

b)

Aanschaf duurzame consumptiegoederen

c)

Dringend geld nodig

13.

Wat is een persoonlijke lening?

a)

Je leent een bedrag en betaalt in afgesproken maandelijkse termijnen terug

b)

Je leent een bedrag voor de aankoop van een huis

c)

Je mag tijdelijk rood staan op je salarisrekening

d)

Je mag bij deze lening het afgeloste bedrag opnieuw lenen

14.

In welk voorbeeld is sprake van koop op afbetaling?

a)

Je koopt bij de mediamarkt een nieuwe laptop en betaalt in termijnen. Je bent eigenaar na betaling van de laatste termijn

b)

Je koopt bij de mediamarkt een PSP5. Je betaalt in termijnen en bent meteen eigenaar.