wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Erfelijkheid

Total questions: 23

Worksheet time: 2hrs 55mins

Name
Class
Date
1.

Wat voor DNA zit er in je oogcellen?

a)

alleen DNA voor de kenmerken van het oog

b)

Dat ligt er aan waar in het oog het ligt

c)

Dat kan je niet weten

d)

Alle informatie van je DNA

2.

Een gen is

a)

alle erfelijke eigenschappen

b)

1 erfelijke eigenschap

c)

al het DNA

3.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

4.

Een recessieve eigenschap schrijven we als:

a)

kleine letter

b)

hoofdletter

5.

een eigenschap opgeschreven als Dd

a)

homozygoot dominant

b)

homozygoot recessief

c)

heterozygoot

d)

heterozygoot dominant

6.

Iedere eigenschap staat ... keer in het DNA

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

7.
Hoe heet een organisme die voor een bepaalde eigenschap identieke allelen heeft?
a)
Een bacterie
b)
Een recessief organisme
c)
Een homozygoot organisme
d)
Een heterozygoot organisme
8.

Een recessief allel komt tot uiting wanneer

a)

Hij samen met een dominant allel staat

b)

Hij homozygoot voorkomt

c)

Hij heterozygoot voorkomt

d)

hij komt nooit tot uiting

9.

Wanneer een dier BB voor een eigenschap heeft dan is hij

a)

Homozygoot Dominant

b)

Heterozygoot Recessief

c)

Homozygoot recessief

d)

Heterozygoot Recessief

10.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
11.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

12.

Vachtkleur, oogkleur, groene bladeren en sproeten zijn voorbeelden van

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Milieu

13.

Het fenotype wordt bepaald door

a)

Genotype

b)

Milieu

c)

Genotype en milieu

d)

Je keuzes in het leven

14.

Een gemiddelde lichaamscel van een mens bevat ... chromosomen

a)

23

b)

46

c)

47

d)

2

15.

Bij erfelijkheidsvraagstukken worden de ouders weergegeven met

a)

F1

b)

P

c)

F2

16.

Wanneer de vader het genotype Bb en de moeder het genotype BB bevat geef je dat als volgt weer

a)
b)
c)
d)
17.

Een heterozygote vrouw met bruin haar krijgt kinderen met een man met blond haar. Blond haar is recessief. Hoe groot is de kans dat zij kinderen krijgen met het genotype voor blond haar.

a)

Blond:bruin=1:1

b)

Aa:aa=1:1

c)

aa= 50%

d)

Blond=50%

18.

Is de persoon van het karyogram een jongen of een meisje?

a)

Jongen

b)

Meisje

19.

Je hebt twee paar geslachtschromosomen

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Een kip met witte veren wordt gekruist met een haan met zwarte veren. De grijze nakomelingen in de F1 worden onderling gekruist.

Welke fenotypen komen voor in de F2?

a)

uitsluitend grijze nakomelingen

b)

uitsluitend zwarte nakomelingen

c)

uitsluitend witte nakomelingen

d)

zwarte, witte en grijze nakomelingen

21.

Van een bepaald diersoort wordt een zwart dier gekruist met een wit dier. Alle nakomelingen zijn zwart. Deze F1-dieren planten zich onderling voort. Van de 109 F2-dieren zijn er 84 zwart en 25 wit.

Hoeveel van de 84 zwarte F2-dieren zijn heterozygoot?

a)

Alle 84

b)

ongeveer 56

c)

ongeveer 42

d)

ongeveer 28

22.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
23.

Bij honden is het gen voor krullend haar (E) dominant over dat voor sluik haar (e). Iemand wil zoveel mogelijk honden fokken met sluik haar. Met welke van onderstaande kruisingen is de kans op nakomelingen met sluik haar het grootst?

a)

EE x ee

b)

Ee x Ee

c)

Ee x ee

d)

EE x Ee