wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 2 Planten BASIS

Total questions: 33

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welke plant staat op een droge plek? (Kijk naar de wortels!)

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Plant 1 en 2

d)

Geen enkele plant

2.

Waarom zijn planten belangrijk?

a)

Ze zorgen voor koolstofdioxide in de lucht

b)

Ze zijn nodig voor voedsel

3.

Pasta en brood zijn ook producten die van planten gemaakt zijn

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Melk is een voorbeeld van een plantaardig product

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Planten maken zuurstof

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Planten drinken met

a)

de hoofdwortel

b)

de zijwortels

c)

de haarwortels

7.

als het zaadje kiemt komt er eerst een

a)

stengeltje

b)

zaadlob

c)

worteltje

8.

op een plantenlabel lees je

a)

de prijs

b)

de lengte van de plant

c)

de verzorging van de plant

9.

Een cyclus is een proces dat steeds op nieuw plaats vindt. Het einde van de ene cyclus is het begin van de volgende.

a)

juist

b)

onjuist

10.

Hoe heten de blaadjes waarin voedingsstoffen zitten die nodig zijn voor de kieming van de plant van een tomaat.

a)

de tomatenpitjes

b)

de zaadlobben

c)

de wortels

d)

de vruchten

11.

De levenscyclus van een plant kent 3 fasen.

Wat is de juiste volgorde van die fasen?

a)

kieming - kiemplant - volwassenplant

b)

kiemplant - kieming - volwassenplant

c)

kieming - volwassenplant - kiemplant

12.
Wat is geen functie van de wortels?
a)
Water opnemen
b)
Plant vastzetten in bodem
c)
Opslaan reservevoedsel
d)
Water vervoeren
13.
Welk nummer geeft de zijwortel aan?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
14.
Welk van de genummerde delen zal vooral als functie het opnemen van water hebben?
a)
1
b)
2
c)
3
d)
4
15.
Zet de volgende gebeurtenissen bij het kiemen van een zaad in volgorde.
1. De zaadlobben komen boven de grond.
2. Het worteltje komt naar buiten.
3. De zaadhuid scheurt open
a)
1-2-3
b)
3-2-1
c)
2-1-3
d)
3-1-2
16.
Een plant noem je volwassen op het moment dat er bloemen groeien. Uit deze bloemen ontstaan vruchten met zaden
a)
Juist
b)
Onjuist
17.

Wat zie je bij nummer 1 tot 5?

a)

volwassen planten

b)

kieming

c)

fotosynthese

18.

Dit is een rode biet. Wat rood is, kan je opeten. Welk deel van de plant eet je?

a)

De wortel

b)

De stengel

c)

De bladeren

19.

In welk deel van de wortel wordt reservevoedsel vooral opgeslagen?

a)

Hoofdwortel

b)

Zijwortel

c)

Wortelhaar

d)

Stengel

20.
Wat zorgt er voor transport in stengels?
a)
Okselknop
b)
Buizen
c)
Vaten
d)
Lid
21.
Welk nummer geeft een knoop aan?
a)
1
b)
2
c)
9
d)
10
22.
Hoe noem je deel 3?
a)
Knoop
b)
Lid
c)
Knop
d)
Blad
23.
Wat is geen functie van de stengel
a)
Vasthouden wortels
b)
Vasthouden bladeren
c)
Vasthouden bloemen
d)
Transport van water
24.
Welk nummer geeft de hoofdnerf aan?
a)
6
b)
7
c)
8
d)
9
25.

Hoe heet deel 4?

a)

Zijnerf

b)

Bladsteel

c)

Hoofdnerf

d)

Bladmoes

26.

Hoe heet deel 2?

a)

Bladmoes

b)

Bladsteel

c)

Zijnerf

d)

Bladskelet

27.

Hoe heet onderdeel 5

a)

Bladmoes

b)

Bladskelet

c)

Bladstengel

d)

Hoofdnerf

28.

Sommige dieren eten nooit planten. Ze eten alleen vlees.

Leg uit dat planten voor deze vleeseters toch belangrijk zijn.

(a)  

29.

Welke plant staat op een droge plek? (Kijk naar de wortels!)

a)

Plant 1

b)

Plant 2

c)

Plant 1 en 2

d)

Geen enkele plant

30.

Wat is het verschil tussen dierlijke en plantaardige cellen?

Vul de ontbrekende woorden in.

Kies uit: bladgroenkorrels – celkern – celmembraan – celplasma – celwand

Cellen van dieren hebben geen …………………. en geen …………………………..

(a)  

31.

Wat is met dit blad gebeurd?

a)

De hoofdnerf en zijnerven zijn dood (rot). Je ziet nu de bladspieren

b)

Het bladmoes is dood (rot). Je ziet nu het bladskelet

c)

Het bladmoes is dood (rot). Je ziet nu de bladspieren

32.

Wat is de functie van bladeren?

a)

Bladeren maken voedsel voor de plant.

b)

Bladeren nemen water op voor de plant.

c)

Bladeren zorgen ervoor dat de plant opvalt.

33.

Wat is de functie van een celkern?

a)

Het regelt alles wat er in de cel gebeurt

b)

Het bepaald wat de cel in en uit mag

c)

Het bevat voedingsstoffen