Font size
WorksheetsTV grammatica klas 2 (lijdend voorwerp)
Total questions: 10
Worksheet time: 12mins
Welke vraag moet je stellen om het lijdend voorwerp te vinden?
Wie/wat + gez?
Wat/waarom + ow + pv?
Wie/wat + gez + ow?
Waar/waarom + pv?
Welke zinnen bevatten een lijdend voorwerp?
Let op: je moet meerdere antwoorden kiezen!
Wouter heeft zijn trainingsjasje laten hangen in de kleedkamer.
Een sukkel heeft gisteren het achterlicht van mijn fiets gesloopt.
Tijdens de storm verdwaalden we in het bos.
Gerard heeft een abonnement genomen op de Donald Duck.
Na de lockdown gaan we met de hele familie bowlen.
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Op de manege kocht Rania een nieuw zadel.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Halil heeft zijn oma een bosje rozen gegeven.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Heb jij alle bestanden opgeslagen op de usb-stick?
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Benoem het onderstreepte zinsdeel.
Ik heb een broodje gezond gekocht in de kantine.
persoonsvorm (pv)
onderwerp (ow)
gezegde (gez)
lijdend voorwerp (lv)
Noteer het lijdend voorwerp uit de volgende zin.
Gooi jij je vuile kleren in de wasmand?
(a)
Noteer het lijdend voorwerp uit de volgende zin.
Wanneer gaat de gemeente een nieuw zwembad bouwen?
(a)
Waar of niet waar?
Iedere zin heeft een lijdend voorwerp.
waar
niet waar
Waar of niet waar?
De persoonsvorm maakt onderdeel uit van het gezegde.
waar
niet waar
