wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ordening 3 BKGT

Total questions: 40

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.
Welke 5 klassen van gewervelde dieren zijn er?
a)
sponzen, stekelhuidigen, wormen, amfibieën en vissen
b)
zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen
c)
zoogdieren, vogels, geleedpotigen, wormen en reptielen
d)
vogels, reptielen, vissen, geleedpotigen, en sponzen
2.
Padden zijn koudbloedig, ademen voor een groot deel door hun huid, en hun eieren zijn niet beschermd. Bij welke klasse binnen de afdeling van de gewervelden horen de padden?
a)
Bij de vissen
b)
Bij de reptielen
c)
Bij de zoogdieren
d)
Bij de amfibieën
3.
Wat is een andere naam voor het ‘op naam brengen’ van een organisme?
a)
Determineren
b)
Nomenclatuur
c)
Benoemen
d)
Stamboom
4.
Bij welke hoofdafdeling hoort de kwal?
a)
Holtedieren
b)
Kwallen
c)
Weekdieren
d)
Sponzen
5.
Waar of niet waar? Een wants (zie het plaatje) is tweezijdig symmetrisch.
a)
Waar
b)
Niet waar
6.
Hoe noemen we de vier grote groepen van ordenen ook wel?
a)
Stammen
b)
Klassen
c)
Rijken
d)
Domeinen
7.
Op basis van welke kenmerken worden de vier grote groepen ingedeeld?
a)
celkern, cytoplasma, celwand
b)
celkern, cytoplasma, celmembraan
c)
celkern, celwand, bladgroenkorrels
d)
celkern, bladgroenkorrels, cytoplasma
8.
Welke drie afdelingen ken je binnen het rijk van de planten?
a)
Wieren, naaktzadigen en sporenplanten
b)
Wieren, sporenplanten en zaadplanten
c)
Wieren, paardenstaarten en zaadplanten
d)
Varens, blaaswieren en zaadplanten
9.
Wat is het verschil tussen zaden en sporen?
a)
Er is geen verschil
b)
Sporen zijn groter dan zaden
c)
Zaden hebben reservevoedsel en sporen niet
d)
Sporen hebben reservevoedsel en zaden niet
10.

Welk kenmerk hebben gewervelden allemaal?

a)

Een inwendig skelet van kalk

b)

Leggen eieren met een schaal

c)

Hebben een huid met een vacht

d)

Hebben allemaal een skelet van alleen maar botweefsel

11.

Welk dier hoort bij de geleedpotigen?

a)
b)
c)
d)
12.

Een bacterie deelt zich iedere 20 minuten. Ik begin met 20 bacteriën. Hoeveel heb ik er na een uur?

a)

100

b)

80

c)

120

d)

160

13.

Welke afdeling heeft geen wortels, geen bladeren en geen stengels?

a)

Sporenplanten

b)

Bedektzadigen

c)

Mossen

d)

Wieren (algen)

14.

Bij welke afdeling hoort deze plant?

a)

Naaktzadigen

b)

Bedektzadigen

c)

Planten

d)

Zaadplanten

15.

Bij welke afdeling hoort een kikker?

a)

Amfibieën

b)

Reptielen

c)

Gewervelden

d)

Dieren

16.

Welke groepen horen bij de weekdieren?

a)

Kwallen

b)

Intvissen

c)

Octopussen

d)

Slakken

e)

Schelpdieren

17.

Bij welke geleedpotige bestaat het gehele lichaam uit segmenten?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Insecten

d)

Duizendpoten

18.

Welke gewervelden zijn over het algemeen niet afhankelijk van water bij het leggen van de eieren?

a)

Vissen

b)

Amfibieën

c)

Reptielen

d)

Vogels

e)

Zoogdieren

19.

Welke afdelingen leven allemaal in het water?

a)

Amfibieën, Vissen, Holtedieren, Sponzen

b)

Eencellige dieren, Holtedieren, Stekelhuidigen, Schelpdieren

c)

Holtedieren, Stekelhuidigen, Kreeftachtigen, Schelpdieren

d)

Holtedieren, Stekelhuidigen, Sponzen en Eencellige dieren

20.

Bij welke klasse hoort dit dier?

a)

Kreeftachtigen

b)

Spinachtigen

c)

Geleedpotigen

d)

Reptielen

21.

In de afbeelding kun je een cel zien. Tot welk rijk behoort een organisme met dit soort cellen?

(a)  

22.

Weekdieren leven alleen in het water.

a)

Waar

b)

Niet waar

23.

Bij de bereiding van brood worden schimmels gebruikt.

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Bij bedektzadigen komen vruchten voor.

a)

Waar

b)

Niet waar

25.

Stekelhuidigen zijn veelzijdig symmetrisch.

a)

Waar

b)

Niet waar

26.

In de afbeelding kun je een deel van een plant zien. Tot welke stam behoord deze plant?

a)

Tot de mossen

b)

Tot de varens

c)

Tot de zaadplanten

d)

Tot de paardenstaarten

27.

Waar komen amfibieën voor?

a)

Op het land

b)

In de lucht

c)

In het water

28.

Welke kenmerken heeft een bacterie cel?

(a)  

29.

In de afbeelding zie je een organisme. Welke uitspraken kloppen?

a)

Deze schimmel is meercellig.

b)

Deze schimmel plant zich voor door middel van sporen.

c)

Deze schimmel is eencellig.

d)

Dit is geen schimmel.

30.

Welk dier is niet-symetrisch?

a)

Kwal

b)

Slak

c)

Gele buis spons

d)

Zee-egel

31.

In de afbeelding zie je een dier. Wat voor skelet heeft dit dier?

a)

Een inwendig skelet.

b)

Een uitwendig skelet.

c)

Geen skelet.

32.

Wat voor soort eieren legt een kip?

a)

Eieren zonder schaal.

b)

Eieren met een leerachtige schaal.

c)

Eieren met een kalk schaal.

d)

Een kip legt geen eieren.

33.

Wat is waar over een schimmel?


Een schimmel heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels


b)

een celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

34.

Wat is een champignon?

a)

een bacterie

b)

een dier

c)

een plant

d)

een schimmel

35.

Wat is waar over een dier?

Een dier heeft:

a)

geen celwand – wel een celkern –

wel bladgroenkorrels

b)

geen celwand – wel een celkern – geen

bladgroenkorrels

c)

een celwand – wel een celkern –

geen bladgroenkorrels

d)

een celwand – geen celkern –

geen bladgroenkorrels

36.

Wat is waar over een bacterie?

a)

Ze bestaan uit meerdere cellen

b)

Ze planten zich voort door middel van sporen

c)

Ze helpen mee voedsel verteren

d)

Ze kunnen zwemmerseczeem veroorzaken

37.

Hoe planten schimmels zich voort?

a)

Deling

b)

Sporen

c)

Geslachtelijke voortplanting

d)

Ongeslachtelijke voortplanting

38.

Hieraan herken je een rijk, welk rijk is dit?

“Je ziet paddenstoelen of grijze of groenige pluizige draden.”

a)

Bacteriën

b)

Dieren

c)

Schimmels

d)

Planten

39.

Deze dieren hebben geen skelet. Ze vangen prooien met tentakels en leven in de zee.

Tot welke groep behoren deze dieren?

a)

Weekdieren

b)

Stekelhuidigen

c)

Geleedpotigen

d)

Holtedieren

40.

Deze groep is een onderdeel van de gewervelde dieren en heeft deze kenmerken:

1. Huid met veren

2. Ademt met longen

3. Wordt geboren uit een ei

a)

Vogels

b)

Vissen

c)

Amfibieën

d)

Zoogdieren