wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling H4 paragraaf 4.1 en 4.2

Total questions: 37

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Een openingsvraag.


Waarom zou je willen werken. Noem redenen

4 lines
2.

Redenen waarom je wilt werken heten arbeidsmotieven.


Klik de arbeidsmotieven hieronder aan die kloppen. (ze kunnen ook allemaal kloppen)

a)

Om inkomsten te verdienen

b)

Voor contact met andere mensen

c)

Om jezelf te ontwikkelen

d)

Voor Regelmaat in je leven

3.

Welke sector zie je hier?

a)

Agrarische sector

b)

Industriële sector

c)

Diensten sector

d)

Informele sector

4.

Welke sector zie je hier?

a)

Agrarische sector

b)

Industriële sector

c)

Diensten sector

d)

Informele sector

5.

Bedenk van de Agrarische sector, Industriële sector en Diensten sector een baan.

(a)  

6.

Welke mensen hebben Uitvoerend werk? (Klik meedere aan)

a)

Bankdirecteur

b)

Docent

c)

Mederwerker vakkenvuller

d)

Caissière

e)

Teamleider Albert Heijn

7.

Hoe heet werk zonder diploma

a)

Geschoold werk

b)

Makkelijk werk

c)

Fysiek werk

d)

Ongeschoold werk

8.

Werk op deze afbeelding is een vorm van (a)  

9.

Geef een goede omschrijving van inkomensverschillen.

4 lines
10.

Klik vormen van inkomensverschillen aan

a)

Je opleiding

b)

Je ervaring

c)

De tijd die je werkt

d)

Geleverde prestaties

e)

Je leeftijd of geslacht

11.

Leg uit waarom je voor ongeschoold werk vaak minder geld krijgt dan geschoold werk.

4 lines
12.

Wat staat er allemaal in een arbeidsovereenkomst

a)

Wat voor werk je doet

b)

Hoeveel uur je werkt

c)

Met wie je werkt

d)

Hoeveel loon je krijgt

e)

Welke gereedschappen je mag gebruiken

13.

Wat is een goede omschrijving van de CAO

a)

Dit is een overeenkomst tussen werknemers en werkgevers

b)

Dit is een overeenkomst tussen de overheid en werkgevers

c)

Dit is een overeenkomst tussen vakbonden en werkgevers

d)

Dit is een contract

14.

Kees verdient aan brutoloon €2678 per maand


Kees moet per maand €150 aan premies en €500 aan belasting.


Wat is zijn Nettoloon?

(a)  

15.

Nu Andersom. Ruth verdient €1500 Netto.


Belasting= €500

Sociale premies=€178


Wat was het Brutoloon?

(a)  

16.

Wat is een goede betekenis van het Minimumloon?

a)

Dit is wat iemand maximaal mag verdienen vanaf 23 jaar

b)

Dit is wat iemand minimaal moet verdienen vanaf 23 jaar

c)

Dit is wat iemand kan verdienen vanaf 23 jaar

17.

Tamara verdient per week €500


Wat verdient ze per maand?

(a)  

18.

Wat staat er in de Arbowet?

a)

Staan regels voor veilige en gezonde omstandighedne

b)

Staan regels voor werk- en rusttijden

c)

Staan regels in over je vakantiedagen

d)

Staan regels in over wat je mag verdienen

19.

Giraal en Chartaal geld kan iemand hebben.


Hoeveel Giraal geld heb je bij deze afbeelding

a)

€885

b)

€0

c)

€800

d)

€880

20.

Noem de drie geldfuncties van geld.

(a)  

21.

Waarom kan directe ruil soms lastig zijn?

4 lines
22.

Pieter heeft geld op zijn spaarrekening staan van €1600. Per jaar krijgt hij hierover 1.6% rente.


Wat verdient Pieter over 8 jaar?

(a)  

23.

Klik de motieven aan waarom iemand kan sparen

a)

Om geld te lenen van de bank

b)

Uit voorzorg

c)

Voor een later doel zoals een auto

d)

Omdat iemand het aan jou heeft verteld

24.

Karlijn heeft een spaarrekening van €1490. Ze krijgt hierover 1,5% per jaar over.


Wat krijgt Karlijn in 4 maanden?

(a)  

25.

Wat is het nieuwe saldo van Meneer Kralingen

(a)  

26.

Zet hieronder welke leenvorm erbij hoort


Sophie heeft een lening waarbij ze rood mag staan

a)

Salariskrediet

b)

Persoonlijke lening

c)

Doorlopend krediet

d)

Rekening-courant lening

27.

Wat is het verschil tussen een persoonlijke lening en een doorlopend krediet?

4 lines
28.

Je hebt een lening van €15.000 met een looptijd van 48 maanden. Wat zijn je kredietkosten in totaal!

a)

€369

b)

€17.712

c)

€2.712

d)

€15.000

29.

Waarom nemen mensen een verzekering? geef een korte omschrijving.

4 lines
30.

Bij sommige verzekeringen is de plaats waar je woont afhankelijk van de prijs die je betaald voor je verzekering. Leg uit waarom?

a)

Sommige steden zijn duurder

b)

In sommige steden worden er vaker dingen gestolen.

c)

Als je in een studentenhuis woont betaal je minder

31.

Waaruit bestaan de verzkeringskosten?

a)

Assurantiebelasting, eigen risico en poliskosten

b)

Assurantiebelasting, eigen risico en premie

c)

Assurantiebelasting, poliskosten en premie

d)

Eigen risico, poliskosten en premie

32.

Wie zijn de vragers op de arbeidsmarkt en wie zijn de aanbieders.

4 lines
33.

Beroepsbevolking zijn....

a)

vanaf 18 jaar tot hun pensioen leeftijd

b)

vanaf 15 jaar tot hun pensioen leeftijd

c)

vanaf 15 jaar tot hun 65ste

d)

vanaf 21 jaar tot hun 65ste

34.

Bereken de arbeidsdeelname van mannen op de arbeidsmarkt.

(a)  

35.

Bedenk een oorzaak waardoor de arbeidsdeelname onder vrouwen lager is. Wees realistisch!

4 lines
36.

Waarom schrijven mensen zich niet in bij de UWV en hoe noem je hun?

a)

Geregisterde werklozen. Ze denken dat ze geen recht hebben op een uitkering.

b)

Geregisterde werklozen. Ze hebben meestal geen reden.

c)

verborgen werklozen. Ze denken dat ze geen recht hebben op een uitkering.

d)

verborgen werklozen. Ze hebben meestal geen reden.

37.

Hoe ga je voor de toets leren?

a)

Door de rekenopgaves en oefenopgaves te maken.

b)

Door samenvattingen te maken.

c)

Door de gemaakte opgaves nog een keer door te nemen.

d)

Door examens van docenten te maken.