wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

TV H3 klas 1 (lw, zn, pv-tt)

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Een zelfstandig naamwoord is ...

a)

een woord voor mensen, dieren, planten, dingen en namen

b)

een woord dat zegt wat iets of iemand doet

2.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

lidwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

werkwoord

3.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

4.

Benoem het onderstreepte woord.

De leraar deelde dropjes uit.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

7.

Benoem het onderstreepte woord.

J.K. Rowling is een beroemde schrijfster van kinderboeken.

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

zelfstandig naamwoord

8.

Hoeveel lidwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

9.

Hoeveel werkwoorden staan er in deze zin?

De postbode komt vroeg in de middag op een brommer de post bezorgen.

a)

één

b)

twee

c)

drie

d)

geen

10.

Hoeveel zelfstandig naamwoorden staan er in deze zin?

In het huis aan de overkant van de straat woont een man met een hond.

a)

drie

b)

vier

c)

vijf

d)

zes

11.

In welke zin is het onderstreepte woord een werkwoord?

a)

In Freestyle Jazz komen verschillende dansen terug.

b)

De kinderen dansen de hele middag.

12.

In welke zin is het onderstreepte woord een zelfstandig naamwoord?

a)

Mijn oudste broer feest de hele nacht met zijn vrienden.

b)

Na het kampioenschap hadden we een groot feest.

13.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(kunnen) Mees ...... netjes schrijven.

a)

kan

b)

kun

c)

kunt

d)

kon

14.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(hebben) Loes ...... kaartjes gemaakt.

a)

had

b)

hebt

c)

heeft

d)

hebben

15.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(houden) Daniel ...... van lezen.

a)

houd

b)

houdt

c)

hield

d)

hout

16.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(vinden) Ik ...... sushi erg lekker.

a)

vindt

b)

vond

c)

vint

d)

vind

17.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(spellen) Quinty ...... de woorden in het dictee bijna allemaal goed.

a)

spelt

b)

spellt

c)

speld

d)

speelt

18.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(vieren) Tim ...... zijn verjaardag vandaag.

a)

vier

b)

vieren

c)

viert

d)

vierd

19.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(geven) Veerle ...... het huiswerk door aan Bram.

a)

geeft

b)

geevt

c)

geefd

d)

gaf

20.

persoonsvorm tegenwoordige tijd

(veranderen) Zerga ...... graag van haarkleur.

a)

verander

b)

verandert

c)

veranderd

d)

veranderdt