wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat Staal groep 8 blok ruimte

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een ander woord voor continu?

a)

gewichtloos

b)

voortdurend

c)

soepel

d)

nietig

2.

Wat is een ander woord voor de atmosfeer?

a)

de meteoor

b)

de straling

c)

de komeet

d)

de dampkring

3.

Wat is een ander woord voor de procedure?

a)

de aanpak

b)

de nieuwigheid

c)

de luchtdruk

d)

de straling

4.

Wat is waarnemen?

a)

Van iets uitgaan en zo een mening vormen.

b)

Een doordachte manier van dingen doen.

c)

Iets met je zintuigen (ogen, oren) opmerken.

d)

Zo dicht langs iets gaan dat je het bijna raakt.

5.

Wat is technologie?

a)

Een lichte stof van kunstvezel

b)

De stof waaruit een voorwerp bestaat

c)

De kracht die de lucht op aarde uitoefent

d)

De toepassing van de wetenschap in de techniek

6.

Wat is innoveren?

a)

Ergens voordeel uit halen

b)

Iets nieuws invoeren

c)

Iets of iemand opmerken

d)

Iets in gebruik nemen

7.

Wat is een capsule?

a)

Een cabine voor de bemanning van een raket

b)

Een cirkel om de aarde

c)

Een klein hemellichaam met een staart

d)

Iets wat in de weg staat of je tegenhoudt

8.

Maak de zin af:

Als het prioriteit heeft ...

a)

zit er weinig zuurstof in

b)

is het belangrijk en krijgt het voorrang

c)

werkt de zwaartekracht er niet op

d)

kun je het implementeren

9.

Maak de zin af:

Met fleece bedoelen we ...

a)

een warme, lichte stof van kunstvezel

b)

de luchtlaag rond de aarde

c)

een klein hemellichaam met een staart

d)

een ruimte zonder lucht erin

10.

Maak de zin af:

Met een missie bedoelen we ...

a)

de ruimte waarin de aarde zich begeeft

b)

een stuk steen uit de ruimte

c)

dat een computer het kan verwerken

d)

een bijzondere opdracht

11.

Maak de zin af:

Een substantie is ...

a)

iets dat in de weg staat of je tegenhoudt

b)

de manier waarop iets gedaan wordt

c)

de stof waaruit een voorwerp bestaat

d)

uitgezonden licht of warmte

12.

Als je met een raket een baan om de aarde maakt ...

a)

beweeg je je in een cirkel rond de aarde

b)

zweef je steeds verder van de aarde af

c)

verdwijn je voor altijd in de dampkring

d)

koers je richting de zon

13.

Wat betekent je iets realiseren?

a)

Dat je heel dicht langs iets anders gaat.

b)

dat je iets imiteert.

c)

dat je je er bewust van wordt

d)

dat je het nabootst

14.

Wat betekent de straling?

a)

een bijzondere opdracht

b)

het uitgezonden licht of warmte

c)

de stof waaruit een voorwerp bestaat

d)

de belemmering

15.

Wat betekent nano in nanometer?

a)

Buigzaam, dus een buigzame meter

b)

Miljard keer zoveel als een meter

c)

Honderd, dus honderd meter

d)

Het miljoenste deel van een meter

16.

Waar gaat het bij ijl vooral om?

a)

Dat er bijna geen luchtdruk is

b)

Dat het klein en niet belangrijk is

c)

Dat er weinig zuurstof is

d)

Dat het een ruimte zonder lucht is

17.

Waar gaat het bij een methode vooral om?

a)

Dat het doordacht is

b)

Dat je iets nabootst

c)

Dat het overal dezelfde tussenruimte heeft

d)

Dat het prioriteit heeft

18.

Wat is het tegengestelde van weinig?

a)

intensief

b)

buigzaam

c)

effectief

d)

ijl

19.

Wat is het tegengestelde van stijf en stug?

a)

grondig

b)

hevig

c)

effectief

d)

flexibel

20.

Wat past het beste bij het woord komeet?

a)

de noviteit

b)

evenwijdig

c)

de gewichtsloosheid

d)

het hemellichaam

21.

Wat past het beste bij het woord vacuüm?

a)

zonder lucht

b)

digitaal

c)

innoveren

d)

de atmosfeer

22.

Wat past het beste bij het woord baseren?

a)

De lucht in schieten

b)

een overtuiging hebben

c)

van iets uitgaan

d)

een bepaalde kant uitgaan

23.

Wat is geen methode?

a)

de procedure

b)

de aanpak

c)

de manier van iets doen

d)

lanceren

24.

Wat is geen implementeren?

a)

gaan gebruiken

b)

koersen

c)

in gebruik nemen

d)

invoeren

25.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

je iets beseffen

b)

zich realiseren

c)

je ergens bewust van worden

d)

ergens van profiteren

26.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

gewichtloos

b)

simuleren

c)

niets wegen

d)

zweven

27.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

de meteoor

b)

het heelal

c)

het universum

d)

de ruimte

28.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

nabootsen

b)

nadoen

c)

lanceren

d)

imiteren

29.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

atmosfeer

b)

barrière

c)

dampkring

d)

luchtlaag

30.

Welk woord hoort er niet bij?

a)

grondig

b)

hevig

c)

intensief

d)

nietig