Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H4 opfrissen basis genetica

Total questions: 17

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Kruisbessen

Bij kruisbessenstruiken bevatten de kruisbessen enkele zaden per bes. Zaden uit één bes van een kruisbes worden door een merel uitgepoept. Twee van deze zaden ontkiemen.

Jorid zegt dat de cellen van het zaad en van de kruisbessenplant die daaruit groeit, hetzelfde genotype en hetzelfde fenotype hebben.

Heeft Jorid gelijk?

a)

ja

b)

nee

2.

Bij kruisbessenstruiken vindt bestuiving plaats van de stamper door stuifmeel van een andere plant. Daarna volgt bevruchting en ontstaat er een groot aantal zaadjes.

Wat is hierbij het resultaat als die zaadjes zijn uitgegroeid tot plantjes? Er zijn twee antwoorden goed.

a)

De plantjes hebben allemaal hetzelfde genotype.

b)

De plantjes hebben allemaal hetzelfde fenotype.

c)

De plantjes verschillen in genotypen.

d)

De plantjes verschillen in fenotypen.

3.

Als een kruisbessenplant ontstaat door een afgesneden tak in de grond te poten (een stek), dan is het genotype van deze nieuwe plant (A)

de plant waar de tak van is afgesneden.


Wat moet je invullen op A?

a)

gelijk aan

b)

verschillend van

4.

Kunnen de planten die uit de twee zaden ontstaan verschillen in fenotype en genotype?

a)

Alleen in fenotype

b)

Alleen in genotype

c)

Zowel in fenotypen als in genotype

5.

Van rups tot vlinder

Bij de gedaanteverwisseling van insecten groeit uit het ei een rups. De rups verpopt zich. Na enige tijd komt uit de pop een vlinder.

Hebben de rups en de vlinder die daaruit ontstaan hetzelfde fenotype? En hetzelfde genotype?

a)

De rups en de vlinder hebben hetzelfde fenotype en hetzelfde genotype

b)

De rups en de vlinder hebben hetzelfde fenotype, maar de genotypen zijn verschillend.

c)

De rups en de vlinder hebben verschillende fenotypen en verschillende genotypen.

d)

De rups en de vlinder hebben verschillende fenotypen, maar verschillende genotypen.

6.

Bij vlinders bevruchten de mannetjes de vrouwtjes, waarbij een groot aantal eieren wordt gevormd.

Wat is hiervan het resultaat nadat de eieren zich tot rupsen hebben ontwikkeld? Er zijn twee antwoorden goed.

a)

Een groot aantal rupsen met hetzelfde fenotype.

b)

Een groot aantal rupsen met hetzelfde genotype.

c)

Een groot aantal rupsen met verschillen in fenotype.

d)

Een groot aantal rupsen met verschillen in genotyen.

7.

Indy zegt dat alle bevruchte eicellen van een vlinder hetzelfde genotype en fenotype hebben.

Heeft Indy gelijk?

a)

Ja

b)

Nee

8.

Bekijk de afbeelding. We geven de allelen voor de haarlijn aan met de letters A en a.

Heeft jongen 3 voor deze eigenschap het dominante of het recessieve kenmerk?

a)

Hij heeft het dominante kenmerk.

b)

Hij heeft het recessieve kenmerk.

c)

Uit de afbeelding kan je niet concluderen welk kenmerk hij heeft.

9.

Men kruist een bruingele cavia met een witte. In de F2 krijgt men 134 bruingele, 265 lichtgele en 137 witte dieren.

Waarvan is hier sprake?

a)

X-chromosomale overerving

b)

dihybride kruising

c)

intermediair fenotype

d)

multipele allelen

10.

Een genotype met twee dezelfde allelen noemen we ook wel

a)

monohybride

b)

dihybride

c)

homozygoot

d)

heterozygoot

11.

Tt is het genotype voor een bepaalde eigenschap. Hoe noemen we iemand met dit genotype?

a)

Homozygoot dominant

b)

Homozygoot recessive

c)

Heterozygoot

d)

Heterozygoot dominant

12.

Een stukje DNA dat codeert voor/leidt tot een bepaalde eigenschap heet een ...

(a)  

13.
Het fenotype kan veranderen na mate je ouder word.
a)
waar
b)
niet waar
14.
Jesse's haar heeft zwart haar. Dit heeft hij blauw geverfd. Wat is zijn genotype?
a)
zwart 
b)
blauw
c)
zwart en blauw
d)
beide kleuren niet
15.

Wanneer de eigenschap voor bruine ogen dominant is en een persoon heeft bruine ogen dan is hij/zij waarschijnlijk .... voor deze eigenschap

a)

Homozygoot

b)

Heterozygoot

c)

Homozygoot en heterozygoot zijn beide mogelijk

16.

Hoe geven bij een kruising de eerste generatie nakomelingen aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P

17.

Hoe geven bij een kruising de ouders aan?

a)

Met F1

b)

Met F2

c)

Met P