wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal blok 4 woordenschat les 1 en 2

Total questions: 16

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Wanneer je iets besteedt,....

a)

Geef je geld uit

b)

Haal je geld uit een automaat

c)

Maak je de prijs lager

2.

Wat betekent het woord 'de pintautomaat'?

a)

Geef je geld uit

b)

Een automaat waar je met een pinpas en pincode geld uit kunt halen

c)

Maak je de prijs lager

3.

Wat betekent het woord 'afprijzen'?

a)

Geld uitgeven

b)

Een automaat waar je met een pinpas en pincode geld uit kunt halen

c)

De prijs lager maken

4.

Welke betekenis is niet goed? Een artikel is ....

a)

Een product in een winkel

b)

Een tekst in een krant of website

c)

Iets wat minder geld kost dan normaal

5.

Wanneer is iets voordelig?

a)

Als het tijdelijk is

b)

Als het niet duur is

c)

Als de kwaliteit goed is

6.

In welke zin staat een opsomming?

a)

Bij Bruinings kleding hebben ze de beste aanbiedingen

b)

Ik heb een broek, T-Shirt en een winterjas gekocht

c)

Jammer dat die aanbieiding maar tijdelijk is

7.

Welke zin past er het beste achter?


Vanavond gaan we naar de kermis. Papa gaat eerst langs de pinautomaat.

a)

Zo hebben we genoeg geld bij ons.

b)

Zo maken we gebruik van reclame.

c)

Zo weten we wat het product kost.

8.

Welke drie woorden geven aan dat iets goedkoper is?

a)

De aanbieding, afprijzen en de boodschap

b)

Afprijzen, voordelig en voorbereiden

c)

De aanbieding, afprijzen en voordelig

9.

Op dit lijstje staat een ... van wat ik moet kopen.

a)

Aanbieding

b)

Kwaliteit

c)

Opsomming

10.

Kaas is een ... dat wordt gemaakt van melk.

a)

Product

b)

Kwaliteit

c)

Reclame

11.

Deze chocolademelk hebben ze aangeprezen in een ...

a)

Aanbieding

b)

Personeel

c)

Reclame

12.

Twee appels voor de prijs van één. Dat is een ...

a)

Aanbieding

b)

Personeel

c)

Reclame

13.

Mijn etui is van een goede ... Hij verslijt niet snel.

a)

Pinautomaat

b)

Opsomming

c)

Kwaliteit

14.

Uit het pinautomaat kun je geld halen.

a)

Waar

b)

Niet waar

15.

Als je iets tijdelijk doet, doe je het altijd.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Schrijf drie artikelen op die je in de supermarkt kunt kopen.

4 lines