Worksheets2H onlinePW K3 en K4
Total questions: 26
Worksheet time: 13mins
Regelmatige werkwoorden en de esttenten-regel.
Vervoeg het [werkwoord] zodat de zin klopt:
[wohnen] Meine Tante (a) schon 10 Jahre in München.
Regelmatige werkwoorden en de esttenten-regel.
Vervoeg het [werkwoord] zodat de zin klopt:
[spielen] Frau Bauer, (a) Sie Volleyball?
Regelmatige werkwoorden en de esttenten-regel.
Vervoeg het [werkwoord] zodat de zin klopt:
[hören] Wie oft (a) ihr diese Musik?
Regelmatige werkwoorden en de esttenten-regel.
Vervoeg het [werkwoord] zodat de zin klopt:
[kaufen] Wir (a) zusammen neue Kleider.
Regelmatige werkwoorden en de esttenten-regel.
Vervoeg het [werkwoord] zodat de zin klopt:
[schenken] (a) du deiner Mutter Blumen zum Geburtstag?
Onbepaalde lidwoorden; Ein / eine of kein / keine? Vertaal en vul het juiste woord aan.
[een] (a) Jahr (o) hat zwölf Monate.
Onbepaalde lidwoorden; Ein / eine of kein / keine? Vertaal en vul het juiste woord aan.
[geen] Im Sommer liegt (a) Schnee (m).
Onbepaalde lidwoorden; Ein / eine of kein / keine? Vertaal en vul het juiste woord aan.
[een] Wir essen (a) Suppe (v).
Onbepaalde lidwoorden; Ein / eine of kein / keine? Vertaal en vul het juiste woord aan.
[geen] Das Mädchen bestellt (a) Kartoffeln (mv).
Onbepaalde lidwoorden; Ein / eine of kein / keine? Vertaal en vul het juiste woord aan.
[een] (a) Nachtisch (m) ist oft süß.
Werkwoorden met stam op -s, -ss, -z, -ß
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[beißen] Der kleine Hund (a) nicht.
Werkwoorden met stam op -s, -ss, -z, -ß
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[reisen] Frau Bauer ist in die Niederlande (a) . (volt.deelw.!)
Werkwoorden met stam op -s, -ss, -z, -ß
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[sitzen] Wir (a) gemütlich zusammen.
Werkwoorden met stam op -s, -ss, -z, -ß
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[übersetzen] (a) du die Aufgabe für deinen Bruder?
Werkwoorden met stam op -s, -ss, -z, -ß
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[heißen] Wie (a) ihr?
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[mijn] Ist das (a) Trikot (o)?
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[zijn] (a) Großeltern (mv) sind fast 50 Jahre verheiratet.
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[onze] (a) Verein (m) ist groß.
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[jullie] Wo sind (a) Geschenke (mv)?
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[haar] Ella kann (a) Einladung (v) nicht finden.
Bezittelijk voornaamwoord:
Vertaal het [bezittelijk voornaamwoord] en vul het in de juiste vorm in.
[hun] Die Mannschaft feiert (a) Meisterschaft (v).
Werkwoorden met stam op -d of -t
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[beneiden] Hannah, (a) du mich wirklich?
Werkwoorden met stam op -d of -t
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[arbeiten] Frau Kauer, (a) Sie jede Woche?
Werkwoorden met stam op -d of -t
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[antworten] Das Enkelkind hat auf die Frage (a) . (volt.deelw.!)
Werkwoorden met stam op -d of -t
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[verkleiden] Es ist Karneval! Die Oma hat sich (a) .
Werkwoorden met stam op -d of -t
Vervoeg het [werkwoord] dat voor de zin staat zodat de zin klopt.
[reiten] Am liebsten (a) ich morgens.
