wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederland en water, hoofdstuk 1 en 2

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Niet elke storm is even gevaarlijk. Bij welke windrichting is het risico op overstromingen groter?

a)

Bij noordoostenwind

b)

Bij noordwestenwind

c)

Bij zuidoostenwind

d)

Bij zuidwestenwind

2.

De Deltawerken zijn vooral uitgevoerd in de provincies:

a)

Zuid-Holland en Zeeland

b)

Zeeland en Friesland

c)

Noord-Holland en Zuid-Holland

d)

Noord-Holland en Friesland

3.

Een stormvloedkering is:

a)

een dam die het vloedwater keert bij een storm.

b)

Een dam met schuiven die open staan, maar bij hoogwater gesloten worden.

c)

Een stuw die ervoor zorgt dat het water niet te hoog wordt opgestuwd.

d)

Een sluis die gesloten wordt bij storm, maar waar schepen doorheen kunnen.

4.

Eén zeearm in Zeeland is niet afgesloten, omdat de haven van Antwerpen bereikbaar moest blijven voor schepen. Welke?

a)

Nieuwe Waterweg

b)

Zuiderzee

c)

Oosterschelde

d)

Westerschelde

5.

De aanleiding voor de aanleg van de Zuiderzeewerken is geweest:

a)

De bodemdaling in gebieden rond de voormalige Zuiderzee.

b)

De stormvloed van 1916.

c)

De stormvloed van 1953.

d)

De vloed in de grote rivieren in 1993 en 1995.

6.

Nieuw waterbeleid: 'Bij veel neerslag moet het water zo snel mogelijk worden afgevoerd naar de grote rivieren'.

a)

Waar

b)

Niet waar

7.

Hoe zorg je dat dit dorp in Noord-Holland niet verder wegzakt?

a)

De dijken rondom deze polder verhogen.

b)

Het (grond)waterpeil hoog houden.

c)

Een dam bouwen tussen het kanaal op de achtergrond en de sloten.

d)

Een extra gemaal bouwen om dit gebied droog te kunnen houden.

8.

Een ander groot waterproject dat is uitgevoerd zijn de Zuiderzeewerken. Uit welke onderdelen bestaan de Zuiderzeewerken?

a)

Uit de Afsluitdijk, de aanleg van polders en de aanleg van dammen.

b)

Uit de Afsluitdijk en de aanleg van een aantal polders.

c)

Uit de Afsluitdijk en het afsluiten van een aantal zeearmen met dammen.

d)

it de Afsluitdijk, de aanleg van polders en het graven van het IJsselmeer.

9.

De Balgstuw is aangelegd om West-Overijssel te beschermen. Waartegen?

a)

Opstuwing van water vanuit de IJssel.

b)

Opstuwing van water vanuit het IJsselmeer.

c)

Opstuwing van water vanuit de Zuiderzee.

d)

Opstuwing van water vanuit de Noordzee.

10.

Nederland heeft een nieuw waterbeleid, dat bestaat uit drie onderdelen. Welk onderdeel hoort er niet bij?

a)

Bergen

b)

Afvoeren

c)

Doorsluizen

d)

Vasthouden

11.

Bij het nieuwe waterbeleid hoort bijvoorbeeld de aanleg van wadi's in woonwijken. Bij welk onderdeel hoort dit?

a)

Bergen

b)

Afvoeren

c)

Doorsluizen

d)

Vasthouden

12.

En de aanleg van een retentiegebied?

a)

Bergen

b)

Afvoeren

c)

Doorsluizen

d)

Vasthouden

13.

Het graven van een sloot om water af te voeren, hoort vooral bij:

a)

'oud' waterbeleid

b)

'nieuw' waterbeleid

14.

Boven de kritische hoogte is het risico op een dijkdoorbraak groot. Welke grafiek hoort bij 'nieuw waterbeleid'?

a)
b)
15.

Laag-Nederland zakt weg ten opzichte van de zee, vooral in veengebieden. Welke oorzaak hoort er niet bij?

a)

Inklinking

b)

Reageren van veen met de lucht

c)

Reageren van klei met de lucht

d)

Zeespiegelstijging

16.

Zowel in de zuidelijke Noordzee als in het IJsselmeer kun je opstuwend water krijgen.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is niet waar.

17.

Door de aanleg van goede bestrating met veel rioleringsputten wordt het risico op overstromingen kleiner.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is niet waar.

18.

De hoogwatergeul die aangelegd is bij de IJssel, wordt aangeduid met een pijl en letter. Welke antwoord is juist?

a)
b)
c)
d)
19.

De Waal wordt aangeduid met letter...

a)

a

b)

b

c)

c

d)

d

20.

Binnen elke polder is er één waterpeil.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is niet waar.

21.

Binnen een dijkring kunnen er meerdere polders zijn.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is onwaar.

22.

Een dijkring of een polder kan ook grenzen aan hogere gronden.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is niet waar.

23.

De N348 is een weg tussen Ommen en Deventer. Wie is verantwoordelijk voor het onderhoud van deze weg?

a)

Rijkswaterstaat

b)

Provincie Overijssel

c)

Waterschap Drents-Overijsselse Delta

d)

Diverse gemeenten langs deze weg

24.

Het aanleggen van de Afsluitdijk had economische voordelen. Wat was het belangrijkste voordeel?

a)

Meer berging zoet drinkwater in het IJsselmeer

b)

Snellere verbinding tussen West- en Noord-Nederland

c)

Meer werk door de Zuiderzeewerken

d)

Minder dreiging opstuwend zeewater in Zeeland

25.

De Afsluitdijk is een voorbeeld van een stormvloedkering.

a)

Dit is waar.

b)

Dit is niet waar.