wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Vwo 2 H8.1 - 8.5 oefentoets

Total questions: 31

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat doen ribosomen?

a)

Eiwitten maken

b)

Eiwitten kapotmaken

c)

Eiwitten vervoeren

d)

Eiwitten splitsen

2.

Wat doet het mitochondrie?

a)

Energie verbruiken

b)

Energie maken

c)

Geen van beide

3.

Wat zit er niet in een menselijke cel?

a)

Celkern

b)

Mitochondrie

c)

Celwand

d)

Celmembraan

4.

waar krijg je energie van?

a)

Ribosomen en mitochondrie

b)

Glucose en zuurstof

c)

Glucose en koolstofdioxide

d)

Water en koolstofdioxide

5.

Als er te weinig Glu en O2 naar spieren gaan, treedt er___op

a)

Verstrekking

b)

Verbuiging

c)

Verzuring

d)

Spierkramp

6.

Je middenrif gaat ____ als in inademt

a)

Omhoog

b)

Naar beneden

c)

Staat stil

7.

Je middenrif gaat naar____ als je uitademt

a)

Boven

b)

Beneden

c)

Staat stil

8.

Je luchtdruk in je longen gaat ___ als je uitademt

a)

Omhoog

b)

Omlaag

c)

Niet veranderen

9.

Hoe heten de bloedvaten rond longblaasjes?

a)

Slagaders

b)

Longaders

c)

Haarvaten

d)

Longslagaders

10.

Wat stroomt er vanuit een longblaasje in het bloed en zo verder het lichaam in?

a)

O2

b)

CO2

c)

Glu

d)

H2O

11.

Hoe heet het gedeelte in je hersenen dat de ademhaling regelt?

a)

Ademfrequentie

b)

Ademcentrum

c)

Ademanalyse

d)

Ademcellen

12.

Waar zwiepen trilharen in je luchtpijp het stof en vuil naar toe?

a)

Maag

b)

Neus

c)

Keelholte

d)

Darmen

13.

Hoeveel liter lucht past er in je longen?

a)

4-7 liter

b)

2-4 liter

c)

9-10 liter

14.

Wat is de vitale capaciteit?

a)

Verschil tussen longen en bloedvaten

b)

Verschil tussen rust en totale longvolume

c)

Verschil tussen max. in/uitademen

d)

Verschil tussen rest en rustvolume

15.

Uit welk vat neemt de dokter bloed af?

a)

Slagader

b)

Ader

c)

Haarvat

16.

Wat doet hemoglobine?

a)

Ziektes aanvallen

b)

Zuurstof maken

c)

Zuurstof vervoeren

17.

Wat is de juiste route van signalen in je hart?

a)

Sinusknoop- Hartpunt/vezels- AV knoop

b)

AV knoop- Sinusknoop- Hartpunt/vezels

c)

Sinusknoop-AV knoop- Hartpunt/vezels

18.

Welke van de onderstaande is geen fase van de hartslag?

a)

Uitademen

b)

Boezems trekken samen

c)

Kamers trekken samen

d)

Hartpauze

19.

Welke hartruimte is sterker?

a)

Boezem

b)

Kamer

20.

Een ECG heeft een P-top, wat gebeurt er dan?

a)

Samentrekken boezems

b)

Samentrekken kamer

c)

Ontspannen kamers

21.

Een ECG heeft een R- top, wat gebeurt er dan?

a)

Samentrekken boezems

b)

Samentrekken kamers

c)

Ontspannen kamers

22.

Stelling 1: In de kleine bloedsomloop gaat het bloed naar haarvaten in de longen.

Stelling 2: In de grote bloedsomloop gaat het bloed naar de lever

a)

Stelling 1 is waar

b)

Stelling 2 is waar

c)

Beiden waar

d)

Beiden niet waar

23.

Slagaders hebben kleppen

a)

Waar

b)

Niet waar

24.

Bovendruk ontstaat wanneer:

a)

Hartkamers ontspannen

b)

Hartkamers samentrekken

c)

Boezems ontspannen

d)

Boezems samentrekken

25.

Welke cellen zitten er in de lymfeknopen?

a)

Witte bloedcellen

b)

Rode bloedcellen

c)

Vetcellen

26.

Bloeddrukmedicijnen hebben effect op:

a)

Kringspieren rondom de slagaders

b)

Kringspieren rondom organen

c)

Kringspieren rondom aders

d)

Kringspieren rondom je luchtpijp

27.

Bloeddrukmeter geeft 150/120 aan. Wat is de bovendruk?

a)

150/120=1,25

b)

120x150=18000

c)

150

d)

120

28.

Situatie1 : Iemand gaat sporten

Situatie 2: Iemand zit op de bank

Kees zegt: In situatie 1 krijgt het verteringsstelsel meer bloed

Freek zegt: In situatie 2 krijgen de nieren minder bloed

Wie heeft gelijk?

a)

Kees heeft ongelijk

Freek heeft gelijk

b)

Beiden hebben ze gelijk

c)

Kees heeft gelijk

Freek heeft ongelijk

d)

Beiden ongelijk

29.

Wat is geen functie van de lymfe

a)

Voedingsstoffen vervoeren

b)

Afvalstoffen afvoeren

c)

Vloeistoffen ontgiften

d)

Afweerfunctie

30.

Welke kleur hebben de onderstaande vloeistoffen?

1 Lymfevloeistof

2 Bloedplasma

3 Weefselvloeistof

a)

1 rood

2 geel

3 geel

b)

1 kleurloos

2 geel

3 kleurloos

c)

1 geel

2 rood

3 kleurloos

d)

1 groen

2 geel

3 rood

31.

Wat kun je meten door in een slagader een prikje te geven?

a)

Het CO2 gehalte

b)

Het O2 gehalte

c)

Het lymfe gehalte

d)

Het weefselvloeistof gehalte