wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Taal Thema 5 verwerking les 5

Total questions: 20

Worksheet time: 35mins

Name
Class
Date
1.

Is JE het onderwerp in de zin?


Ga je nog aan het werk of blijf je kletsen?

a)

ja

b)

nee

2.

Is JE het onderwerp van de zin?


Hallo, hoor je me niet?

a)

ja

b)

nee

3.

Is JE het onderwerp van de zin?


Vertelt je meester graag verhalen?

a)

ja

b)

nee

4.

Welke PV is goed?

Tip: je staat erachter ;)


Welke windmolen ... je mij aan? (raden)

a)

raad

b)

raadt

5.

Welke PV is goed?

Tip: je staat erachter ;)


Aan een goede computer ... je wat meer geld. (besteden)

a)

besteed

b)

besteedt

6.

Welke PV is goed?

Tip: je staat erachter.


Je muis ... je dan met je computer. (verbinden)

a)

verbind

b)

verbindt

7.

Welke PV is goed?

Tip: je staat erachter ;)


Na deze informatie ... je vast van de energie. (barsten)

a)

barst

b)

barstt

8.

Typ de persoonsvorm.


... je toilet wel goed door? (spoelen)

(a)  

9.

Typ de persoonsvorm.


Wanneer ... je vriend ook Among Us? (spelen)

(a)  

10.

Typ de persoonsvorm.


... je al auto? (rijden)

(a)  

11.

Wat is het voegwoord?


Kijk heel goed, voordat je een antwoord kiest.

a)

kijk

b)

kiest

c)

voordat

d)

antwoord

12.

Wat is het voegwoord?


We gaan door, totdat iedereen het snapt.

a)

gaan

b)

snapt

c)

iedereen

d)

totdat

13.

Wat is het voegwoord?


Ik heb mijn handen gewassen, nadat ik van buiten kwam.

a)

kwam

b)

ik

c)

buiten

d)

nadat

14.

Wat is het voegwoord?


Voordat hij zijn tanden poetst, eet hij eerst zijn ontbijt.

a)

voordat

b)

hij

c)

tanden

d)

poetst

15.

Kies het juiste voegwoord voor op de puntjes.


De tuin was helemaal nat ... het had geregend.

a)

nadat

b)

voordat

c)

terwijl

d)

zolang

16.

Kies het juiste voegwoord voor op de puntjes.


Soms zie je een regenboog ... het regent.

a)

nadat

b)

voordat

c)

terwijl

d)

totdat

17.

Breng de spullen snel naar binnen ... het gaat regenen.

a)

voordat

b)

terwijl

c)

nadat

d)

zodat

18.

We moeten binnenblijven na 9 uur ... de avondklok er nog is.

a)

zolang

b)

nadat

c)

voordat

d)

zodat

19.

Maak van de 2 zinnen nu 1 zin. Gebruik het voegwoord.


Jullie praten. De juf is aan het praten. (terwijl)

(a)  

20.

Maak van de 2 zinnen nu 1 zin. Gebruik het voegwoord.


We moeten opletten. We begrijpen het. (totdat)

(a)