Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

grammatica woordsoorten 1b

Total questions: 19

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.
De meeste leerlingen komen met de fiets naar school. Hoeveel voorzetsels zitten er in deze zin?
a)
4
b)
2
c)
1
d)
Geen
2.
Wat een mooie, originele, leuke en goede boektrailers hebben jullie gemaakt!
a)
In deze zin staan veel bijvoeglijke naamwoorden.
b)
In deze zin staan vooral zelfstandige naamwoorden.
c)
Deze zin mist een voorzetsel.
3.
Een zelfstandig naamwoord kun je in het meervoud zetten en je kunt er een verkleinwoord van maken.
a)
Juist
b)
Onjuist, een zelfstandig naamwoord kan nooit een verkleinwoord zijn.
4.
Het meisje pakt een bekertje met water en zet haar tas neer.Welke zelfstandige naamwoorden staan er in deze zin? 
a)
meisje, bekertje, water, tas
b)
water, tas
c)
haar, meisje
5.
De meeste voorzetsels kun je voor een lidwoord en zelfstandig naamwoord plaatsen.
a)
Juist.
b)
Onjuist, na een voorzetsel volgt nooit een lidwoord.
6.
Op welke manieren kun je controleren of je te maken hebt met een zelfstandig naamwoord?
a)
Kijken of er twee voorzetsels in de buurt staan.
b)
Het woord in een andere tijd zetten.
c)
Een lidwoord ervoor zetten en er meervoud van maken.
7.

Wat is het gekleurde woordsoort? In de metro kwam ik een oude vriend tegen.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

lidwoord

d)

werkwoord

8.

Wat is het gekleurde woordsoort? Uit het huis sloegen de vlammen omhoog.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

9.

Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

lidwoord

b)

werkwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

10.

Bij Gouda is bijna een trein ontspoord door natte bladeren. Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

voorzetsel

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

11.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

werkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

12.

Onze leraar verbetert ons werk altijd met een groene pen.

Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

werkwoord

13.

Ze had de telefoon nog in haar hand. Wat is het gekleurde woordsoort?

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

voorzetsel

14.

Hoeveel lidwoorden kent het Nederlands?

a)

3

b)

4

c)

5

15.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zijn er in de volgende zin?

De verzorger geeft de kluif aan de tijger.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

16.

Hoeveel zelfstandige naamwoorden zitten er in de volgende zin?

De krolse kat krabt de krullen van de trap.

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

17.

Hoeveel bijvoeglijke naamwoorden staan er in de volgende zin?

De vliegende vieze vis vliegt de vogel achterna.


a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

18.

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

a)

Waar

b)

Niet waar

19.

Wat is de juiste volgorde?

De dierentuin heeft een nieuwe apensoort ontdekt.

a)

lw zn bn ww lw bn zn

b)

lw zn ww lw bn zn

c)

lw zn ww lw bn zn ww

d)

lw bn hw lw bn zn ww